media-impact’
Connie Boer en Swantje I. Brennecke
, Hoofdstuk 1 – Almacht van de media
De almacht van de media-theorie:
1. De massamedia bereiken iedereen
a. Dit is alleen fysiek al onmogelijk.
2. Het beïnvloedingsproces is eenrichtingsverkeer van zender naar ontvanger
a. Nee, al is het maar omdat men via kijk- en luisteronderzoek rekening kan
houden met voorkeuren van (potentiële ontvangers)
3. Er is een direct verband tussen inhoud van boodschap en invloed op ontvanger
a. Verschillende ontvangers kunnen dezelfde boodschap anders interpreteren.
4. De ontvanger is in staat en bereid alle boodschappen op te nemen
a. Door enorme hoeveelheid informatie is dit niet mogelijk
5. De ontvanger neemt de inhoud vd boodschap passief en kritiekloos over
a. Niet waar
6. De (veelal slechte) invloed van de media wordt niet betwijfeld
a. Invloed is niet alleen slecht.
7. Er zit geen ‘filter’ tussen zender en ontvanger
a. Er zijn verschillende filters geïdentificeerd (model van beperkte effecten,
Klapper)
8. De ‘massamens’ is meer ontvankelijk voor de invloed van de media dan de elite.
a. Massamens bestaat niet.
Voorbeelden hiervan zijn te vinden in b.v. oorlogen -> propaganda.
Andere namen:
- Stimulus-responsmodellen
- Injectienaaldtheorie (media ‘prikt’ in het passieve lichaam vd ontvanger)
- Transportband (Direct verband tussen boodschap en effect)
- Lont in het kruitvat (lont wordt aangestoken, rest volgt vanzelf)
- Bullet theory (ontvanger wordt ‘beschoten’, zoals bij injectienaaldtheorie)
Het is vrijwel zeker dat de boodschap de ontvanger bereikt, het effect is sterk en verloopt in
een te voorspellen richting.
Functies van modellen:
- Organiseren van de werkelijkheid
- Inzichtelijk maken vd werkelijkheid
- Het kunnen doen van voorspellingen
- Meten vd werkelijkheid
Verbale model van Lasswell (1948)
Who zender
Says what boodschap
In which channel kanaal/medium
To whom ontvanger
With what effect effect