Hoofdstuk 1: Wat is psychologie?
1.1 Definitie
Psychologie is een wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd word ten waarbij de gedragsevidentie
gebruikt wordt om de interen processen te begrijpen die aan dat gedrag ten grondslag liggen
1.2 Vóór-ontwikkelingen
Griekse filosofen: eerste invloedrijke geschriften over functioneren van de mens. Plato (428-347 v. C) en
Aristoteles (384-322 v. C). Beiden gingen uit van 2 soorten delen van de mens:
- Onzichtbare, ware wereld van onveranderlijke, ideale vormen (ziel/rede)
- Zichtbare, veranderlijke wereld rondom ons (lichaam/observatie)
Na de val van het Romeinse rijk (476 n. C) was de rooms-katholieke kerk de belangrijkste hoeder van
kennis in de westerse wereld omdat zij geschriften van Plato en Aristoteles vertaalde naar kerkelijke leer
(ziel/geest) én verspreidde.
Vervolgens de wetenschappelijke revolutie (16e – 17e eeuw): overtuiging dat ware kennis gebaseerd is op
systematische observatie en actief ingrijpen in de wereld (door: Copernicus, Galilei en Newton). De groei
van de invloed van de wetenschappen leidde tot 2 aparte culturen:
1. Klassieke cultuur: gericht op kunsten en letteren (alfa)
2. Nieuwe natuurwetenschappelijke cultuur: gericht op cijfers en getallen (beta)
Deze laatste nieuwe vorm van wetenschap werd toegepast op het psychische functioneren van de mens
(Helmholz, Donders, Mentale chronometrie). Mentale chronometrie (19 e eeuw) is een techniek waarbij
men de psychologische processen in informatieverwerking van de mens probeert te achterhalen door te
kijken naar de tijd die men nodig heeft om taken uit te voeren (reactie-tijd).
Helmholtz (1821-1894): meette de snelheid van zenuwimpulsen in zenuwvezels (hij stimuleerde zenuw in
poot van kikker en ving verderop op; 30m/s of 100km/u). Donders (1868) meette fysiologische tijd van
mentale processen door men verschillende keuzes te geven met ook een discriminatietaak.
Daarna volgde Darwin met de Evolutietheorie (1859): Levende wezens zijn het resultaat van een
aanpassingsproces aan veranderende omstandigheden (genetische variatie, natuurlijke selectie, survival
of the fittest). De mens is uit de dier geëvolueerd.
Dit betekende dat menselijk gedrag op dezelfde manier gebustudeerd kon worden als bij dieren,
misschien hadden mensen namlijk kenmerken geeërfd die bij dieren ook voorkwamen.
Voor deze stroming: mens heeft een ziel die niet verbonden is met het lichaam/de rest van de
wereld en is niet onderworpen aan aardse wetmatigheden (kan nog steeds doorleven wanneer
het lichaam sterft).
1.3 Ontstaan van de psychologie
In de 15e en 16e eeuw begon men zelf kritisch te denken i.p.v. alleen filosofen en kerkvaders te
bestuderen en becommentariëren.
René Descartes: ging uit van een dualistische visie; lichaam en geest is gescheiden. Hij was een
rationalistisch: kennis was in zijn ogen gebaseerd op rede. Daarnaast ook een nativist: mens heeft
aangeboren kennis die uitgangspunt is van ALLE andere afgeleide kennis.
John Locke: ging uit van het empirisme: de inhoud van de geest wordt gevormd door zintuigelijke
ervarigen die met elkaar geassocieerd worden. Onderzoekers begonnen met de natuurwetenschappelijke
methode toe te passen op de studie van psychologische processen.
,Wilhelm Wundt (1879) opende het 1e labarotorium voor experimentele psychologie aan de universiteit van
Leipzig, Duitsland en staat zo aan de basis van de wetenschappelijke psychologie.
Naast de stromingen die net al benoemd zijn (Dualisme, rationalisme, nativisme en empiricisme) bestaan
er ook nog structualisme: elk proces kan gereduceerd worden tot sensaties, beelden en gevoelens. Op
basis van introspectie de structuur van het bewustzijn proberen te ontdekken Introspectie: kijken naar
eigen bewustzijn van binnenuit (soort van reflectie).
Alfred Binet en Théodore Simon (1907) ontwikkelden de eerste bruikbare intelligentietest (vader van de
toegepaste psychologie. In Amerika is psychologie veel pragmatischer en vinden zij dat William James
(1842-1910) de founder van psychologie is. In Amerika gaan ze veelal uit van Functionalisme:
psychologie diende om onderwijs te optimaliseren, gevaarlijke afwijkingen opsporen en behandelen en
bevorderen van de industriële productie.
John Watson & B.F. Skinner ontwikkelen vervolgens het behaviorisme: in poging om de psychologie
wetenschappelijker te maken stelde behavioristen (gedrag) voor om enkel observeerbaar gedrag te
bestuderen (gedrag is gevolg van een eenvoudig Stimulus-Respons koppelingen H6).
Nog een bekende man die belangrijk was voor het ontstaan van de psychologie is Sigmund Freud (1856-
1939). Hij ontwikkelde de psychoanalyse: bewustzijn en gedrag zijn slechts oppervlakkige fenomemen.
Hij dacht dat onbewuste krachten/driften de oorsprong van persoonlijkheidsverschillen en mentale
stoornissen waren.
1.4 Onderzoeksmethoden
In de psychologie bestaan verschillende onderzoekstechnieken:
A) Beschrijvend onderzoek (descriptief onderzoek): correcte informatie verzamelen over een
onderwerp (BV: vragenlijst, interview, naturalistische observatie en gestandaardiseerde testen)
B) Correlatie onderzoek: beschrijven van verbanden tussen gegevens van een onderzoek
C) Experimenteel onderzoek: onderzoekers manipuleren één of meerdere variabelen en kijken of dit
effect heeft op een andere variabele (al het andere blijft gelijk).
A) Soorten beschrijvend onderzoek:
1. Naturalistische observatie = gedrag systematisch observeren in natuurlijke context.
o Voordeel = van grote waarde voor evidence based adviezen
o Nadeel = reactieve gedragingen (andere gedraging door aanwezigheid onderzoeker)
2. Vragenlijst: reeks vragen die de ondervraagde in eigen tempo beantwoordt (onderzoeker
vaak niet aanwezig).
3. Interview
a. Gestructureerd interview: vaste lijst vragen in bepaalde volgorde (beter vergelijken)
b. Ongestructureerd interview: vragen liggen vooraf niet vast
c. Nadeel: sociale wenselijkheid en afhankelijk van perceptie van de proefpersoon en
proefleider.
4. Opiniepeiling: inventaris maken van opinies over een onderwerp, vragen over algemeen kort
en brede steekproef van de bevolkingsgroep
a. Nadeel: sommige bevolkingsgroepen makkelijker te bereiken dan andere of werken
eerder mee en mogelijk niet eerlijk/oprecht over antwoorden.
5. Gestandaardiseerde psychologische test: test die speciaal is ontworpen om bepaalde
menselijke vaardigheden en de eigenschappen te meten (intelligentietest, levenskwaliteit)
6. Archiefdata: onderzoeker verzamelt data niet zelf maar data zijn al in een of ander bestand
aanwezig
7. Gevalsstudie: intensief gedetailleerd onderzoek over één persoon of gebeurtenis
8. Kwalitatief onderzoek: onderzoek naar mening, geen getalsmatige tabellen/samenvatting.
,B) Correlatie onderzoek: beschrijven van verbanden tussen gegevens van een onderzoek.
variabele: elk kenmerk dat kan veranderen en gemeten kan worden
correlatie: mate waarin twee variabelen met elkaar samenhangen, in hoeverre gaan bijvoorbeeld
lengte en gewicht met elkaar samen.
o Correlatiecoëfficiënt: getal tussen de -1 en +1 welke richting en mate van het verband
tussen twee variabelen aangeeft. Nadeel: oorzaak-gevolg is niet goed te onderscheiden.
C) Experimenteel onderzoek; onderzoekers manipuleren één of meerdere variabelen en kijken of dit
effect heeft op een andere variabele (al het andere blijft gelijk)
Opzet: Hypothese: voorspelling o.b.v. theorie
Onafhankelijke variabele; de variabele die tijdens het experiment wordt gemanipuleerd
Afhankelijke variabele; de variabele die tijdens het experiment wordt gemeten
Operationaliseren van variabelen: omzetten van variabelen in concrete en meetbare handelingen.
- Nadeel: experimenten zijn niet altijd mogelijk
Validiteit: meet je wat je moet meten?
- Interne validiteit: is het onderzoek zelf goed opgezet
- Externe validiteit: zijn de resultaten te generaliseren?
1.5 Biologische factoren
Biologie speelt op 4 manieren een rol bij de psychologie:
1. Het centrale zenuwstelsel (CZS): aandoeningen in het CZS hebben effect op psychologisch
functioneren (ook kunnen psychologische aandoeningen behandeld worden door
medicijnen/geneesmiddelen die inwerken op CZS).
2. Invloed van lichaam op geest: lichaam of gesteldheid van het lichaam kan van invloed zijn op het
denken en gedrag van mensen
3. Erfelijkheid: eigenschappen kunnen erfelijk zijn net zoals psychiatrische aandoeningen. Maakt uit
in hoeverre mate je bijvoorbeeld aanleg hebt voor een bepaalde stoornis.
4. Evolutie: bepaalde gedragingen kunnen worde begrepen vanuit de menselijke
evolutiegeschiedenis (BV Partnerpreferentie Charles Darwin).
1.6 Cognitieve factoren
Cognitieve psychologie = menselijk gedrag begrijpen en voorspellen met informatie verwerkende
cognitieve processen die zich in de hersenen afspelen Behavioristen ontdekte het bestaan van
cognities.
1.7 Sociale factoren
De mens is een sociaal wezen dat deel uitmaakt van allerhande sociale netwerken (werd binnen de
filosofie en in de eerste jaren van psychologie vergeten). Culturele verschillen ontstaan omdat mensen
zich vooral binnen één sociale groep bevinden.
WEIRD people; merendeel van het onderzoek in de psychologie is gebaseerd op blanke mensen uit de
westerse wereld (Western, Educated, Industrialized, Rich an Democratic sociaties). Daarnaast is er veel
onderzoek gewijd aan het biologische (nature: aangeboren, genetisch) en sociaal-culturele (nurture:
aangeleerd/omgevingsinvloeden) voor het verklaren van gedrag.
1.8 Het biopsychosociale model
Gaat ervan uit dat biologische, psychologische en sociale factoren een rol spelen bij menselijke activiteit.
1.9 Psychologie in de samenleving
, Psychologisering van de maatschappij: psychologie speelt steeds belangrijkere rol: mensen zien hun
relaties met anderen steeds meer vanuit een psychologisch perspectief.
Hoorcollege 2: Experimental psychology 06-09
Hoofdstuk 3: Gewaarwording
3.1 Gewaarwording versus waarneming
Gewaarwording = stimulatie vertalen naar neurale signalen (sensation)
Waarneming = interpreteren en begrijpen van de gewaarwording (perception)
Volgens (Ward, 2008) zijn er 10 zintuigen waarvan 5 traditionele. Een zintuig heeft een eigen reeks van
receptoren waarvan de prikkels in een apart deel van de hersenen wordt verwerkt:
1. Zicht 6. Pijngewaarwording
2. Gehoor 7. Temperatuurgewaarwording
3. Reuk 8. Evenwichtsgevoel
4. Smaak 9. Kinesthesie (positie van beweging/gewrichten/spieren)
5. Tast 10. Interoceptie (interne sensaties; honger/hartslag)
3.2 Gezichtsvermogen
Licht =
- Vorm van elektromagnetische straling
- Snelle trillingen van elektrisch geladen deeltjes
- Beweegt zich voort in golven
- Afstand tussen twee golven = golflengte (in nanometer)
- Zichtbaar licht = 400-700nm
Lichtintensiteit: aantal fotonen (energiepakketjes) die per tijdseenheid een oppervlakte bereiken. Hoe
sterker de lichtbron, hoe meer fotonen (bijvoorbeeld helderheid van je laptop).
Het oog bestaat uit:
1. Hoornvlies (cornea) 4. Lens (hieromheen cilaire spier)
2. Kamervocht 5. Glasachtig lichaam
3. Pupil (hieromheen iris = spier) 6. Retina
De retina bevat lichtgevoelige receptoren (7 miljoen kegeltjes: kleur) & (120 miljoen staafjes: beweging).
De retina bestaat uit 3 lagen:
- Visuele receptoren (127 miljoen)
- Horizontale cellen, bipolaire cellen en amacriene cellen
- Ganglioncellen (1 miljoen). axonen ganglioncellen = oogzenuw (blinde vlek = geen receptoren
op de plek waar de oogzenuw het oog verlaat).
Van oog naar occipitale kwab loopt volgens de volgende weg: oogzenuw chiasma opticum corpus
genitulatum laterale (CGL; thalamus) primaire visuele cortex (v1). Cellen in de primaire visuele cortex
coderen elementaire visuele kenmerken.
Oogbewegingen = saccades. Tussen fixaties (gedurende welke informatie uit omgeving wordt
opgenomen) maakt men saccades. Dit zijn ballistische sprongen van 20-40ms gedurende je even blind
bent (tijdens het scannen van de omgeving en lezen). Je maakt ongeveer 5 saccades per seconde dus
5x 40 ms = 200 ms blind per seconde = 1/5e. Tijdens een saccade ben je blind (daarom zijn plaatjes met
‘zoek de verschillen’ zo moeilijk omdat er telkens een saccade tussen de 2 plaatjes moet worden
gemaakt. Je hebt verschillende soorten oogbewegingen:
- Saccades: nauwelijks een geheugen voor vorige fixaties
- Volgbewegingen: extern target volgen
- Convergentie: houdt beide ogen op het target gefixeerd