ABDOMEN 1
WEEK 1 – PIJN
ALGEMENE LEERDOELEN 2
TAAK 1.1 – NIERSTEENKOLIEK 8
TAAK 1.2 – PROSTATITIS 13
TAAK 1.3 – GALSTEENKOLIEK 18
TAAK 1.4 – ADNEXITIS OF APPENDICITIS 23
TAAK 1.5 – ENDOMETRIOSE 28
,ALGEMENE LEERDOELEN
1) Globaal: topografische anatomie van het abdomen/bekken: peritoneale
verhoudingen
1) Intraperitoneaal vs. retroperitoneaal (primair & secundair)
Intra- en extraperitoneale ligging van organen
Liggen t.o.v. peritoneum Organen
Intraperitoneaal
Organen zijn volledig bekleed met peritoneum en zijn voorzien van een ‘meso’
Cavitas peritonealis Maag, milt, lever, galblaas, dunne darm (duodenum met
abdominis gedeelte van pars superior en pars ascendens, jejunum,
ileum), dikke darm (transversum, colon sigmoïdeum),
caecum variabel
Cavitas peritonealis pelvis Fundus en corpus uteri, ovarium, tuba uterina, evt.
Bovenste gedeelte rectum
Extraperitoneaal
Organen zonder ‘meso’, toevoerstraat ligt in extraperitoneale bindweefsel: aorta
Primair extraperitoneaal
(Embryonale aanleg
extraperitoneaal)
• Retroperitoneaal • Nieren, bijnieren en ureters
• Subperitoneaal • Urineblaas (aan bovenzijde bedekt met peritoneum
urogenitale), prostaat, vesicula seminalis, cervix uteri,
vagina, rectum vanaf flexura sacralis
Secundair extraperitoneaal
(In loop van embryonale Dunne darm (duodenum; partes descendens, horizontalis,
ontwikkeling naar extra ascendens), pancreas, colon ascendens en descendens,
gemigreerd; aan voorzijde variabel: gedeelten caecum, rectum tot flexura sacralis
nog een peritoneale
bekleding
Retroperitoneaal
2) Buikholte (cavitas peritoneale)
Een sereus vlies bekleed de cavitas peritoneale (grote zak). Dit vlies produceert ook vloeistof
in de buikholte (200ml), wat zorgt voor glijding tussen
organen. De buikholte wordt omsloten door het
diafragma (superior), wervelkolom en ribben
(posterior), bekken (lateraal en posterior en spieren
(anterolateraal en posterior)
De “kleine zak” bevat de bursa omentalis. Deze is om
wrijving te verminderen in het abdomen, vooral bij de
maag. De bursa omentalis heeft verbinding met de
cavitas peritonealis via het foramen omentalis.
Palpatie van deze opening is mogelijk aan de dorsale
zijde van het ligamentum hepatoduodenale. De
bursa omentalis kan als de grootste recessus van de
peritoneale ruimte worden beschouwd. Ligt achter de
omentum minus en de maag.
3) Peritoneum (visceraal en pariëtaal)
Peritoneum (mesothelium) bevindt zich aan de anti-luminale zijde (buitenzijde).
− Pariëtaal (buitenste laag) buik- en rug wand = buikholte
− Visceraal (binnenste laag) omvat organen
Week 1 – Pijn Page 2 of 33
, 4) Omentum majus (wanneer je de buik open maakt) en minus
Omentum minus = bevat de portale triade (vena porta, a. hepatica en galgangen).
Omentum majus = door verdraaiingen komt deze uiteindelijk ventraal in het lichaam (vetlaag
die je ziet wanneer je de buik openmaakt). Het is een peritoneale plooi die als een schort van
de curvatura major van de maag naar beneden hangt en de dunne darmlissen geheel of
gedeeltelijk scheidt van de voorste buikwand. Het colon transversum is met het omentum
majus vergroeid. Het is rijk aan lymfoïd weefsel.
5) Mesenterium/ligamenten (dorsaal en ventraal)
Mesenterium heeft een duale functie
− Bloedvoorziening intraperitoneale organen
− Ophangen van organen/voorkomen dat organen gaan verdraaien (volvolus)
Vanuit de embryonale ontwikkeling:
− Ventraal mesenterium
o Ligamentum falciforme (loopt vanaf de lever,
waar het doorheen loopt, richting de navel;
lig. teres hepatis). De vena umbilicalis loopt
door dit ligament
o Omentum minus = tussen maag en lever
(cirkelvormig). Wordt onderscheiden:
▪ Ligamentum hepatogastricum
▪ Ligamentum hepatoduodenale
− Dorsaal mesenterium
o Omentum majus
Vascularisatie vanuit de aorta
− Truncus coeliacus
o a. hepatica communis
o a. gastrica sinistra
o a. splenica (naar nieren)
− a. mesenterica superior = pancreas, dunne darm en
dikke darm
− a. renalis
− a. overica/testicularis
− a. mesenterica inferior = dikke darm
Week 1 – Pijn Page 3 of 33
, 2) Globaal: bloedvoorziening en innervatie (sympathisch/parasympatisch) van
abdomen/bekken
3) Fysiologie van pijnperceptie (sympathisch/parasympatisch): pijnmediatoren
Nociceptoren = relatief ongespecialiseerde zenuwceluiteinde dat de sensatie van pijn initieert.
De transduceren een grote verscheidenheid van stimuli in receptor potentialen, welke weer
afferente actiepotentialen triggeren. Nociceptoren ontstaan vanuit cellichamen in dorsale
wortel ganglia (of in trigeminus ganglion) die een axonale uitloper richting de periferie heeft en
de andere richting de ruggengraad of de hersenstam. Axonen van nociceptoren hebben trage
conductie, zijn ligt gemyeleerd en vaak zelfs ongemyeleerd.
Week 1 – Pijn Page 4 of 33
WEEK 1 – PIJN
ALGEMENE LEERDOELEN 2
TAAK 1.1 – NIERSTEENKOLIEK 8
TAAK 1.2 – PROSTATITIS 13
TAAK 1.3 – GALSTEENKOLIEK 18
TAAK 1.4 – ADNEXITIS OF APPENDICITIS 23
TAAK 1.5 – ENDOMETRIOSE 28
,ALGEMENE LEERDOELEN
1) Globaal: topografische anatomie van het abdomen/bekken: peritoneale
verhoudingen
1) Intraperitoneaal vs. retroperitoneaal (primair & secundair)
Intra- en extraperitoneale ligging van organen
Liggen t.o.v. peritoneum Organen
Intraperitoneaal
Organen zijn volledig bekleed met peritoneum en zijn voorzien van een ‘meso’
Cavitas peritonealis Maag, milt, lever, galblaas, dunne darm (duodenum met
abdominis gedeelte van pars superior en pars ascendens, jejunum,
ileum), dikke darm (transversum, colon sigmoïdeum),
caecum variabel
Cavitas peritonealis pelvis Fundus en corpus uteri, ovarium, tuba uterina, evt.
Bovenste gedeelte rectum
Extraperitoneaal
Organen zonder ‘meso’, toevoerstraat ligt in extraperitoneale bindweefsel: aorta
Primair extraperitoneaal
(Embryonale aanleg
extraperitoneaal)
• Retroperitoneaal • Nieren, bijnieren en ureters
• Subperitoneaal • Urineblaas (aan bovenzijde bedekt met peritoneum
urogenitale), prostaat, vesicula seminalis, cervix uteri,
vagina, rectum vanaf flexura sacralis
Secundair extraperitoneaal
(In loop van embryonale Dunne darm (duodenum; partes descendens, horizontalis,
ontwikkeling naar extra ascendens), pancreas, colon ascendens en descendens,
gemigreerd; aan voorzijde variabel: gedeelten caecum, rectum tot flexura sacralis
nog een peritoneale
bekleding
Retroperitoneaal
2) Buikholte (cavitas peritoneale)
Een sereus vlies bekleed de cavitas peritoneale (grote zak). Dit vlies produceert ook vloeistof
in de buikholte (200ml), wat zorgt voor glijding tussen
organen. De buikholte wordt omsloten door het
diafragma (superior), wervelkolom en ribben
(posterior), bekken (lateraal en posterior en spieren
(anterolateraal en posterior)
De “kleine zak” bevat de bursa omentalis. Deze is om
wrijving te verminderen in het abdomen, vooral bij de
maag. De bursa omentalis heeft verbinding met de
cavitas peritonealis via het foramen omentalis.
Palpatie van deze opening is mogelijk aan de dorsale
zijde van het ligamentum hepatoduodenale. De
bursa omentalis kan als de grootste recessus van de
peritoneale ruimte worden beschouwd. Ligt achter de
omentum minus en de maag.
3) Peritoneum (visceraal en pariëtaal)
Peritoneum (mesothelium) bevindt zich aan de anti-luminale zijde (buitenzijde).
− Pariëtaal (buitenste laag) buik- en rug wand = buikholte
− Visceraal (binnenste laag) omvat organen
Week 1 – Pijn Page 2 of 33
, 4) Omentum majus (wanneer je de buik open maakt) en minus
Omentum minus = bevat de portale triade (vena porta, a. hepatica en galgangen).
Omentum majus = door verdraaiingen komt deze uiteindelijk ventraal in het lichaam (vetlaag
die je ziet wanneer je de buik openmaakt). Het is een peritoneale plooi die als een schort van
de curvatura major van de maag naar beneden hangt en de dunne darmlissen geheel of
gedeeltelijk scheidt van de voorste buikwand. Het colon transversum is met het omentum
majus vergroeid. Het is rijk aan lymfoïd weefsel.
5) Mesenterium/ligamenten (dorsaal en ventraal)
Mesenterium heeft een duale functie
− Bloedvoorziening intraperitoneale organen
− Ophangen van organen/voorkomen dat organen gaan verdraaien (volvolus)
Vanuit de embryonale ontwikkeling:
− Ventraal mesenterium
o Ligamentum falciforme (loopt vanaf de lever,
waar het doorheen loopt, richting de navel;
lig. teres hepatis). De vena umbilicalis loopt
door dit ligament
o Omentum minus = tussen maag en lever
(cirkelvormig). Wordt onderscheiden:
▪ Ligamentum hepatogastricum
▪ Ligamentum hepatoduodenale
− Dorsaal mesenterium
o Omentum majus
Vascularisatie vanuit de aorta
− Truncus coeliacus
o a. hepatica communis
o a. gastrica sinistra
o a. splenica (naar nieren)
− a. mesenterica superior = pancreas, dunne darm en
dikke darm
− a. renalis
− a. overica/testicularis
− a. mesenterica inferior = dikke darm
Week 1 – Pijn Page 3 of 33
, 2) Globaal: bloedvoorziening en innervatie (sympathisch/parasympatisch) van
abdomen/bekken
3) Fysiologie van pijnperceptie (sympathisch/parasympatisch): pijnmediatoren
Nociceptoren = relatief ongespecialiseerde zenuwceluiteinde dat de sensatie van pijn initieert.
De transduceren een grote verscheidenheid van stimuli in receptor potentialen, welke weer
afferente actiepotentialen triggeren. Nociceptoren ontstaan vanuit cellichamen in dorsale
wortel ganglia (of in trigeminus ganglion) die een axonale uitloper richting de periferie heeft en
de andere richting de ruggengraad of de hersenstam. Axonen van nociceptoren hebben trage
conductie, zijn ligt gemyeleerd en vaak zelfs ongemyeleerd.
Week 1 – Pijn Page 4 of 33