ABDOMEN 1
WEEK 3 – DIARREE
ALGEMENE LEERDOELEN 2
TAAK 3.1 – LACTASE DEFICIËNTIE 7
TAAK 3.2 – STEATORROE BIJ CF 13
TAAK 3.3 – COLITIS ULCEROSA 20
TAAK 3.4 – VIRALE GASTRO-ENTERITIS 31
TAAK 3.5 – BACTERIËLE GASTRO-ENTERITIS 37
,ALGEMENE LEERDOELEN
1) Macroscopische anatomie en histologie van jejunum, ileum en colon
2) Enterisch zenuwstelsel en de relatie tot het autonome zenuwstelsel
3) Motiliteit = mechanisme, innervatie en hormonale regulatie
4) Aangeboren en verworden immuniteit tractus digestivus
Aangeboren afweer = snelle respons op micro-organismen met als doel om infectie te
voorkomen, te controleren of elimineren middels
inflammatie en antivirale afweer. Ook dient het voor
herkennen van producten van beschadigde/dode
cellen en vormt het een brug met adaptieve
immuunrespons.
− Lage specificiteit, brede reactiviteit
− Directe bescherming
− Belangrijk voor eerste blootstelling
Het aangeboren immuunsysteem bestaat uit drie componenten:
1) BARRIÈRES = EERSTE VERDEDIGINGSLIJN
− Fysieke barrière bestaat uit epitheel laag Oeral waar we in contact staan met de
buitenwereld zit epitheel. Het epitheel is niet overal hetzelfde. De huid is een dikke laag
epitheel en heel compact en ondoordringbaar. In de longen is het epitheel
pseudostratified. Bijdragende factoren aan deze barrière zijn:
o Cilia (trilharen)
o Mucus
o Luchtstroom (kuchen etc.)
o Zuur (in de maag)
o Urinestroom
− Biochemische barrière = antimicrobiële proteïnen (AMP)
o Lokaal geproduceerd in epitheel, kliercellen en immuun cellen
o Lokaal aanwezig in speeksel, zweet, traanvocht en slijm
• Defensins = gaat tussen celmembranen zitten
− Biologische barrière = eigen microbiële flora
o Competitie met vreemde microben
o Beschermen tegen toxische stoffen
o Stimulatie van het immuunsysteem
2) CELLEN
− Fagocyten = neutrofielen en macrofagen
− Dendritische cellen
− NK-cellen (lymfocyt)
PAMPs (= LPS gramnegatieve bacteriën, dsRNA) en DAMPs (HMGB1) kunnen worden
herkent door pattern recognition receptors (PRR) waardoor cellulaire activatie plaatsvindt van
het aangeboren immuunsysteem. Verschillende PPRs zijn:
Week 3 – Diarree Page 2 of 46
, − Toll-like receptoren = op basis van structuur herkennen ze pathogenen. TLR3, 7, 8 en
9 zitten intracellulair in endosomen welke reageren op kernzuren van micro-
organismen. Locatie van de receptoren is afhankelijk van wat ze kunnen herkennen
− NOD like receptoren (intracellulair)
Fagocyten
Neutrofielen
− Aanwezig in bloed (60-70% WBC)
− Normaal niet aanwezig in weefsels
− Korte levensduur (2 dagen)
− Formatie in beenmerg (14 dagen)
− Als reactie op infectie = sterke productie van neutrofielen
− Functies
o Directe reactie op infectie
o Nemen pathogenen op en doden cellen door fagocytose
o Vrijgave van cytotoxische inflammatoire mediatoren: ROS, chemokines,
proteolytische enzymen)
ROS-formatie
1) Chemotaxis en adherentie van microbe door fagocyt
2) Inname van microbe door fagocyt
3) Formatie van een fagosoom
4) Fusie van fagosomen met een lysosoom om een fagolysosoom te vormen
5) Vertering van microbe door enzymen
6) Formatie van een residulichaam
7) Inhoud wordt vrijgegeven in omgeving
Monocyten/macrofagen
− Macrofaag = gedifferentieerde vorm
− Aanwezig in bloed (monocyten) 1-6%
− In weefsels ontwikkelen ze tot macrofagen
− Functies
o Reageren op infectie, beschadiging en op vreemde stoffen
o Fagocyteren en doden pathogenen
o Uitscheiden pro-inflammatoire mediatoren (cytokines en chemokines)
o Antigeen presentatie aan verworven afweer
− Bacterie bindt op PRR fagosoom lysosoom. Kan ook via de kern en dan krijg je
pro-inflammatoire cytokinen
Cytokinen
− Boodschapper van het immuunsysteem
− Binding aan cellulaire receptoren
− Veranderingen in cellen: groei, apoptose, differentiatie
− Effecten op afstand
− Verschillende groepen
Week 3 – Diarree Page 3 of 46
, o Chemokines = versterken mogelijkheid van cellen om te migreren naar de
geschikte plek. Waar de concentratie van chemokines het hoogste is zullen de
cellen naartoe migreren (MCP-1)
o Interferonen = glycoproteïnen, belangrijk in controle van virale infectie
o Interleukinen = belangrijk bij aangeboren/verworven
Dendritische cellen
− Ontwikkelt uit monocyten
− Aanwezig in het hele lichaam: huid, bloed, lymfeorganen
− Functies:
o Fagocyteren
o Antigeenpresentatie (belangrijkste functie). Kan dit beter en efficiënter dan
macrofaag,
o Via MHC II wordt het in kleine stukjes aangeboden aan een T-lymfocyt
NK-cellen
− Lymfocyten (10%)
− Aanwezig in bloed en perifere lymfeorganen
− Herkennen geïnfecteerde en gestresste cellen
− Functies
o Doden van beschadigde of geïnfecteerde cellen via toxische granula proteïnen
o Activatie van (IL-12 productie) macrofagen door IFN- vrijgave
Functie 1 = remming of activatie
NK-cellen hebben verschillende receptoren (NK heeft perforines en kan gaten maken in de cel
met granzymes: proteases die eiwitstructuur afbreken).
− Remming = als beide receptoren van de NK-cel bezet zijn, wort de NK-cel geremd en
zal nietsdoen. NK-cel is dan gebonden aan MHC I, dat op alle gekernde cellen zit.
Normaal gesproken is de remmende receptor dus altijd bezet, waardoor hij niets met
lichaamseigen cellen doet
− Activatie = MHC I is uitgeschakeld en wordt de normaal remmende receptor
vrijgegeven. Alleen de activerende receptor is bezet en de NK-cel zal dus actief
worden.
Functie 2 = macrofaag stimulatie
− Binding tussen NK-cel en macrofaag
− IL-12 vrijgave door macrofaag
− IFN- afgifte door NK-cel
− Stimuleert macrofagen om gefagocyteerde inhoud ook echt te vernietigen
Mestcellen
− Aanwezig in huid en mucosale epitheel en rondom bloedvaten
− Veel granulen = snelle afgifte na activatie
o Vasoactieve amines
o Proteolytische enzymen
− Productie cytokinen en lipide mediatoren als reactie op infectie
− Vooral geschikt bij afweer tegen wormen (met eosinofiele)
Week 3 – Diarree Page 4 of 46
WEEK 3 – DIARREE
ALGEMENE LEERDOELEN 2
TAAK 3.1 – LACTASE DEFICIËNTIE 7
TAAK 3.2 – STEATORROE BIJ CF 13
TAAK 3.3 – COLITIS ULCEROSA 20
TAAK 3.4 – VIRALE GASTRO-ENTERITIS 31
TAAK 3.5 – BACTERIËLE GASTRO-ENTERITIS 37
,ALGEMENE LEERDOELEN
1) Macroscopische anatomie en histologie van jejunum, ileum en colon
2) Enterisch zenuwstelsel en de relatie tot het autonome zenuwstelsel
3) Motiliteit = mechanisme, innervatie en hormonale regulatie
4) Aangeboren en verworden immuniteit tractus digestivus
Aangeboren afweer = snelle respons op micro-organismen met als doel om infectie te
voorkomen, te controleren of elimineren middels
inflammatie en antivirale afweer. Ook dient het voor
herkennen van producten van beschadigde/dode
cellen en vormt het een brug met adaptieve
immuunrespons.
− Lage specificiteit, brede reactiviteit
− Directe bescherming
− Belangrijk voor eerste blootstelling
Het aangeboren immuunsysteem bestaat uit drie componenten:
1) BARRIÈRES = EERSTE VERDEDIGINGSLIJN
− Fysieke barrière bestaat uit epitheel laag Oeral waar we in contact staan met de
buitenwereld zit epitheel. Het epitheel is niet overal hetzelfde. De huid is een dikke laag
epitheel en heel compact en ondoordringbaar. In de longen is het epitheel
pseudostratified. Bijdragende factoren aan deze barrière zijn:
o Cilia (trilharen)
o Mucus
o Luchtstroom (kuchen etc.)
o Zuur (in de maag)
o Urinestroom
− Biochemische barrière = antimicrobiële proteïnen (AMP)
o Lokaal geproduceerd in epitheel, kliercellen en immuun cellen
o Lokaal aanwezig in speeksel, zweet, traanvocht en slijm
• Defensins = gaat tussen celmembranen zitten
− Biologische barrière = eigen microbiële flora
o Competitie met vreemde microben
o Beschermen tegen toxische stoffen
o Stimulatie van het immuunsysteem
2) CELLEN
− Fagocyten = neutrofielen en macrofagen
− Dendritische cellen
− NK-cellen (lymfocyt)
PAMPs (= LPS gramnegatieve bacteriën, dsRNA) en DAMPs (HMGB1) kunnen worden
herkent door pattern recognition receptors (PRR) waardoor cellulaire activatie plaatsvindt van
het aangeboren immuunsysteem. Verschillende PPRs zijn:
Week 3 – Diarree Page 2 of 46
, − Toll-like receptoren = op basis van structuur herkennen ze pathogenen. TLR3, 7, 8 en
9 zitten intracellulair in endosomen welke reageren op kernzuren van micro-
organismen. Locatie van de receptoren is afhankelijk van wat ze kunnen herkennen
− NOD like receptoren (intracellulair)
Fagocyten
Neutrofielen
− Aanwezig in bloed (60-70% WBC)
− Normaal niet aanwezig in weefsels
− Korte levensduur (2 dagen)
− Formatie in beenmerg (14 dagen)
− Als reactie op infectie = sterke productie van neutrofielen
− Functies
o Directe reactie op infectie
o Nemen pathogenen op en doden cellen door fagocytose
o Vrijgave van cytotoxische inflammatoire mediatoren: ROS, chemokines,
proteolytische enzymen)
ROS-formatie
1) Chemotaxis en adherentie van microbe door fagocyt
2) Inname van microbe door fagocyt
3) Formatie van een fagosoom
4) Fusie van fagosomen met een lysosoom om een fagolysosoom te vormen
5) Vertering van microbe door enzymen
6) Formatie van een residulichaam
7) Inhoud wordt vrijgegeven in omgeving
Monocyten/macrofagen
− Macrofaag = gedifferentieerde vorm
− Aanwezig in bloed (monocyten) 1-6%
− In weefsels ontwikkelen ze tot macrofagen
− Functies
o Reageren op infectie, beschadiging en op vreemde stoffen
o Fagocyteren en doden pathogenen
o Uitscheiden pro-inflammatoire mediatoren (cytokines en chemokines)
o Antigeen presentatie aan verworven afweer
− Bacterie bindt op PRR fagosoom lysosoom. Kan ook via de kern en dan krijg je
pro-inflammatoire cytokinen
Cytokinen
− Boodschapper van het immuunsysteem
− Binding aan cellulaire receptoren
− Veranderingen in cellen: groei, apoptose, differentiatie
− Effecten op afstand
− Verschillende groepen
Week 3 – Diarree Page 3 of 46
, o Chemokines = versterken mogelijkheid van cellen om te migreren naar de
geschikte plek. Waar de concentratie van chemokines het hoogste is zullen de
cellen naartoe migreren (MCP-1)
o Interferonen = glycoproteïnen, belangrijk in controle van virale infectie
o Interleukinen = belangrijk bij aangeboren/verworven
Dendritische cellen
− Ontwikkelt uit monocyten
− Aanwezig in het hele lichaam: huid, bloed, lymfeorganen
− Functies:
o Fagocyteren
o Antigeenpresentatie (belangrijkste functie). Kan dit beter en efficiënter dan
macrofaag,
o Via MHC II wordt het in kleine stukjes aangeboden aan een T-lymfocyt
NK-cellen
− Lymfocyten (10%)
− Aanwezig in bloed en perifere lymfeorganen
− Herkennen geïnfecteerde en gestresste cellen
− Functies
o Doden van beschadigde of geïnfecteerde cellen via toxische granula proteïnen
o Activatie van (IL-12 productie) macrofagen door IFN- vrijgave
Functie 1 = remming of activatie
NK-cellen hebben verschillende receptoren (NK heeft perforines en kan gaten maken in de cel
met granzymes: proteases die eiwitstructuur afbreken).
− Remming = als beide receptoren van de NK-cel bezet zijn, wort de NK-cel geremd en
zal nietsdoen. NK-cel is dan gebonden aan MHC I, dat op alle gekernde cellen zit.
Normaal gesproken is de remmende receptor dus altijd bezet, waardoor hij niets met
lichaamseigen cellen doet
− Activatie = MHC I is uitgeschakeld en wordt de normaal remmende receptor
vrijgegeven. Alleen de activerende receptor is bezet en de NK-cel zal dus actief
worden.
Functie 2 = macrofaag stimulatie
− Binding tussen NK-cel en macrofaag
− IL-12 vrijgave door macrofaag
− IFN- afgifte door NK-cel
− Stimuleert macrofagen om gefagocyteerde inhoud ook echt te vernietigen
Mestcellen
− Aanwezig in huid en mucosale epitheel en rondom bloedvaten
− Veel granulen = snelle afgifte na activatie
o Vasoactieve amines
o Proteolytische enzymen
− Productie cytokinen en lipide mediatoren als reactie op infectie
− Vooral geschikt bij afweer tegen wormen (met eosinofiele)
Week 3 – Diarree Page 4 of 46