Samenvatting van
samenvatting
Prenatale periode Babytiijd Peuter- en Schooltiijd Adolescentie
kleutertiijd
(conceptie-geboortee (geboorte-3 ijaare (3-6 ijaare (6-12 ijaare (12-20 ijaare
Fysieke
ontwikkeling
Cognitieve
ontwikkeling
Sociale en
persoonliijkheids
ontwikkeling
Theorieën en Piaget Sensomotorisch Preoperationeel Concreet- Formeel-operationeel
theoretici stadium stadium operationeel stadium
stadium
Erikson - Stadium van Stadium van Stadium van vlijt Stadium van identiteit
vertrouwen initiatief
schuldgevoel minderwaardigh identiteitsverwarring
wantrouwen eid
(geboorte-1,5
jaar)
- Stadium van
schaamte
autonomie
(1,5-3 jaar)
Freud Orale en anale Fallische fase Latentiefase Genitale fase
fase
Kohlberg Premorele periode Niveau van Niveau van (soms) niveau van
preconventionele conventionele postconventionele
moraliteit moraliteit moraliteit
Deel 1 Ontwikkeling van het kind
Hoofdstuk 1 Een inleiding in de ontwikkeling van
het kind
Ontwikkelingspsychologie = studie naar patronen van groei, verandering en stabiliteit van conceptie-
ouderdom – levenslooppsychologie
- Fysieke ontwikkeling: fysieke opbouw lichaam – hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen,
behoeftes
- Cognitieve ontwikkeling: gedrag beïnvloed voor groei/verandering intellectuele vermogens
- Sociale en persoonliijkheidsontwikkeling: sociale relaties en interacties met anderen
Normatieve invloeden = invloeden conformiteit
- Historisch bepaalde invloeden: 1 specifiek moment (bijv. WO2, 9/11)
- Leeftijdgebonden invloeden: bepaalde leeftijdsgroep (bijv. menopauze, puberteit)
,- Continue verandering: geleidelijk – kwantitatief (bijv. lengte, gewicht)
- Discontinue verandering: in stappen/stadia – kwalitatief (bijv. schooltijd, adolescentie)
Kritiek periode gevoelige periode = grootste gevolgen gebeurtenissen extra ontvankelijk voor
bepaalde stimuli
Nature (= erven) – maturatie (= geleidelijk ontvouwen genetische informatie) nurture (=
omgevingsinvloeden)
Hoofdstuk 2 Theoretische perspectieven en
onderzoek
Perspectieven op ontwikkeling:
- Psychodynamisch perspectiee = focus op innerlijke krachten
o Psychoanalytische theorie – Freud = onbewuste krachten
Id = primitieve driften – genotsprincipe
Ego = buffer id realiteit – rationeel/redelijk
Superego = geweten – goed kwaad
o Psychoseksuele ontwikkeling – Freud = genot geassocieerd met verschillende delen lichaam
Oraal (geboorte-12/18 maanden) = bijv. zuigen, eten, bijten
Anaal (12/18 maanden-3 jaar) = bijv. zindelijkheid, ontlasten
Fallisch (3-5/6 jaar) = genitaliën (bijv. oedipuscomplex)
Latentie (5/6 jaar-adolescentie) = seksualiteit achtergrond
Genitaal (adolescentie-volwassenheid) = opnieuw seksuele interesses
o Psychosociale ontwikkeling – Erikson = aankijken tegen interacties/gedrag met/van anderen/
onszelf
Acht stadia:
Vertrouwen wantrouwen (geboorte-1,5 jaar = babytijd)
Autonomie schaamte/twijfel (1,5-3 jaar = babytijd)
Initiatief schuld (3-6 jaar = peuter- en kleutertijd)
Vlijt minderwaardigheid (6-12 jaar = schooltijd)
Identiteit identiteitsverwarring (12-2n jaar = adolescentie)
- Behavioristisch perspectiee = focus op waarneembaar gedrag – nature nurture
o Klassieke conditionering – Pavlov (nature)
o Operante conditionering – Skinner (nurture)
Gedragsmodificatie
o Sociaal-cognitieve leertheorie – Bandura = leren door observeren
- Cognitiee perspectiee = kijken naar oorsprong van begrip
o Cognitieve ontwikkelingstheorie – Piaget
Stadia
Sensomotorisch (geboorte-2 jaar) = objectpermanentie, weinig/geen
vermogen symboliek
Preoperationeel (2-7 jaar) = taal, symbolisch denken – egocentrisch denken
Concreet operationeel (7-12 jaar) = verduurzaming, kennis van
omkeerbaarheid
Formeel operationeel (12 jaar-volwassenheid) = logisch/abstract denken
Schema’s
Adaptatie = reageren/aanpassen nieuwe informatie
Assimilatie = interpreteren binnen bestaande schema’s (bijv. zebra wordt
paard genoemd)
Accommodatie = bestaande schema’s aanpassen (bijv. zebra wordt apart
schema)
, o Ineormatieverwerkingstheorie = op welke manier coderen/opslaan/terughalen
o Cognitieve neurowetenschap = hersenprocessen/neurologische activiteit tijdens cognitieve
activiteit
- Systemisch perspectiee = brede visie op ontwikkeling – relatie tussen individuen en
fysieke/cognitieve/persoonlijkheids-/sociale wereld
o Bio-ecologisch model – Bronfenbrenner = 5 omgevingsniveaus
Microsysteem = dagelijkse/directe omgeving (bijv. ouders/verzorger, leraren)
Mesosysteem = connecties aspecten microsysteem (bijv. ouders-kind/leraren-
leerlingen)
Exosysteem = sociale instituties (bijv. school, kerk, overheid)
Macrosysteem = overkoepelende culturele invloeden (bijv. politiek, geloof)
Chronosysteem = verstrijken van tijd
o Socioculturele theorie – Vygotsky = sociale interactie tussen leden cultuur
Wederzijdse interactie
Scaffolding
- Evolutionair perspectiee = wat onze voorouders bijdragen aan ons gedrag
o Evolutietheorie – Darwin
Wetenschappeliijk onderzoek
- Hypothese ontwikkelen
1. Theorie vormen
2. Hypothese (= voorspelling) opstellen
3. Operationaliseren (= hypothese vertalen in specifieke, toetsbare procedures) – validiteit
toetsen
- Objectieve data verzamelen – hypothese toetsen
o Experiment
Experimentele groep – wordt blootgesteld
Controlegroep
Onafhankeliijke variabele = gemanipuleerd
Afhankeliijke variabele = resultaat
- Resultaten analyseren
- Resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Soorten onderzoek:
- Experimenteel onderzoek = causale relaties – experimenten
- Correlationeel onderzoek = verbanden aantonen
- Surveyonderzoek = vragen stellen
- Natuurliijke observatie = observeren, zonder ingrijpen
o Veldonderzoek = natuurlijke omgeving
- Casestudy = diepte-interviews
- Laboratoriumonderzoek = gecontroleerde omgeving
- Theoretisch onderzoek = verklaringen toetsen, nieuwe wetenschappelijke kennis vergaren
- Toegepast onderzoek = oplossingen voor directe problemen vinden
Veranderingen in ontwikkeling te meten:
- Longitudinaal onderzoek = door de tijd heen – mensen volgen
- Dwarsdoorsnedeonderzoek = verschillende leeftijden op hetzelfde moment met elkaar
vergelijken
- Cross-sequentieel onderzoek = verschillende leeftijdsgroepen op verschillende tijdstippen -
combinatie
Hoofdstuk 3 Het begin van het leven
Gameten = geslachtscellen bevruchting (= conceptie) zygote = nieuw gevormde cel
, Genen = basiseenheid genetische informatie
- Opgebouwd uit DNA
o 46 chromosomen – 23 paren
- Monozygotische tweeling = eeneiiig – dezelfde zygote genetisch identiek
- Dizygotische tweeling = twee-eiig – 2 afzonderlijke eicellen bevrucht door 2 afzonderlijke zaadcellen
- Dominante eigenschap = komt tot uiting
- Recessieve eigenschap = aanwezig in organisme, komt niet tot uiting
- Genotype = aanwezig (onzichtbaar) genetisch materiaal
- Fenotype = waarneembaar kenmerk
o Mendel – erwtenplanten
Allelen = door genen gevormde paren die eigenschappen bevaten die verschillende vormen kunnen
aannemen (bijv. haar-/oogkleur)
- Homozygoot = gelijke genen van elke ouder voor bepaalde eigenschap
- Heterozygoot = verschillende genen dominante eigenschap komt ten uiting
- Polygenische overerving = combinatie van meerdere genenparen verantwoordelijk voor specifieke
eigenschap (bijv. bloedgroep AB)
- Multieactoriële overerving = combinatie van genetische factoren en omgevingsfactoren
Genoom = geheel alle genen van chromosomen van individu
Gedragsgenetica = onderzoek naar effecten van erfelijkheid op gedrag
Erfelijke/genetische stoornissen:
- Downsyndroom = extra chromosoom op 21e paar 47 chromosomen i.p.v. 46
- Fragiel X-syndroom = beschadiging gen op X-chromosoom
- Sikkelcelanemie = bloedaandoening
- Ziekte van Duchenne = spierzwakte afname spiermassa
- Syndroom van Klineeelter = aanwezigheid extra X-chromosoom – XXX-paar
Prenataal onderzoek:
- Chorionvillusbiopsie (CVB)/vlokkentest (week 8-11) = monsters haarachtig materiaal om embryo
- Eerstetrimesterscreeningtest (week 11-13) = bloedtest + echoscopie (= geluidsgolven met hoge
frequentie)
- Vruchtwaterpunctie (week 15-18) = monster foetale cellen uit vruchtzak
- Foetale bloedtest (> 18 weken) = bloed uit navelstreng
Invloed geven op omgeving:
- Actieve genotype-omgevingsefecten = aspecten van omgeving waarin genetisch bepaalde
capaciteiten tot bloei kunnen komen (bijv. actief kind interesse in sport / gereserveerd kind
computerspelletjes)
- Passieve genotype-omgevingsefecten = genen van ouders geassocieerd met omgeving (bijv.
sportieve ouder veel mogelijkheid om te sporten)
- Evocatieve genotype-omgevingsefecten = genen roepen specifiek type omgeving op (bijv. kind met
goede coördinatie doet veel balspelletjes ouders doen hem op sport)
Prenatale groei:
- Bevruchting = conceptie
samenvatting
Prenatale periode Babytiijd Peuter- en Schooltiijd Adolescentie
kleutertiijd
(conceptie-geboortee (geboorte-3 ijaare (3-6 ijaare (6-12 ijaare (12-20 ijaare
Fysieke
ontwikkeling
Cognitieve
ontwikkeling
Sociale en
persoonliijkheids
ontwikkeling
Theorieën en Piaget Sensomotorisch Preoperationeel Concreet- Formeel-operationeel
theoretici stadium stadium operationeel stadium
stadium
Erikson - Stadium van Stadium van Stadium van vlijt Stadium van identiteit
vertrouwen initiatief
schuldgevoel minderwaardigh identiteitsverwarring
wantrouwen eid
(geboorte-1,5
jaar)
- Stadium van
schaamte
autonomie
(1,5-3 jaar)
Freud Orale en anale Fallische fase Latentiefase Genitale fase
fase
Kohlberg Premorele periode Niveau van Niveau van (soms) niveau van
preconventionele conventionele postconventionele
moraliteit moraliteit moraliteit
Deel 1 Ontwikkeling van het kind
Hoofdstuk 1 Een inleiding in de ontwikkeling van
het kind
Ontwikkelingspsychologie = studie naar patronen van groei, verandering en stabiliteit van conceptie-
ouderdom – levenslooppsychologie
- Fysieke ontwikkeling: fysieke opbouw lichaam – hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen,
behoeftes
- Cognitieve ontwikkeling: gedrag beïnvloed voor groei/verandering intellectuele vermogens
- Sociale en persoonliijkheidsontwikkeling: sociale relaties en interacties met anderen
Normatieve invloeden = invloeden conformiteit
- Historisch bepaalde invloeden: 1 specifiek moment (bijv. WO2, 9/11)
- Leeftijdgebonden invloeden: bepaalde leeftijdsgroep (bijv. menopauze, puberteit)
,- Continue verandering: geleidelijk – kwantitatief (bijv. lengte, gewicht)
- Discontinue verandering: in stappen/stadia – kwalitatief (bijv. schooltijd, adolescentie)
Kritiek periode gevoelige periode = grootste gevolgen gebeurtenissen extra ontvankelijk voor
bepaalde stimuli
Nature (= erven) – maturatie (= geleidelijk ontvouwen genetische informatie) nurture (=
omgevingsinvloeden)
Hoofdstuk 2 Theoretische perspectieven en
onderzoek
Perspectieven op ontwikkeling:
- Psychodynamisch perspectiee = focus op innerlijke krachten
o Psychoanalytische theorie – Freud = onbewuste krachten
Id = primitieve driften – genotsprincipe
Ego = buffer id realiteit – rationeel/redelijk
Superego = geweten – goed kwaad
o Psychoseksuele ontwikkeling – Freud = genot geassocieerd met verschillende delen lichaam
Oraal (geboorte-12/18 maanden) = bijv. zuigen, eten, bijten
Anaal (12/18 maanden-3 jaar) = bijv. zindelijkheid, ontlasten
Fallisch (3-5/6 jaar) = genitaliën (bijv. oedipuscomplex)
Latentie (5/6 jaar-adolescentie) = seksualiteit achtergrond
Genitaal (adolescentie-volwassenheid) = opnieuw seksuele interesses
o Psychosociale ontwikkeling – Erikson = aankijken tegen interacties/gedrag met/van anderen/
onszelf
Acht stadia:
Vertrouwen wantrouwen (geboorte-1,5 jaar = babytijd)
Autonomie schaamte/twijfel (1,5-3 jaar = babytijd)
Initiatief schuld (3-6 jaar = peuter- en kleutertijd)
Vlijt minderwaardigheid (6-12 jaar = schooltijd)
Identiteit identiteitsverwarring (12-2n jaar = adolescentie)
- Behavioristisch perspectiee = focus op waarneembaar gedrag – nature nurture
o Klassieke conditionering – Pavlov (nature)
o Operante conditionering – Skinner (nurture)
Gedragsmodificatie
o Sociaal-cognitieve leertheorie – Bandura = leren door observeren
- Cognitiee perspectiee = kijken naar oorsprong van begrip
o Cognitieve ontwikkelingstheorie – Piaget
Stadia
Sensomotorisch (geboorte-2 jaar) = objectpermanentie, weinig/geen
vermogen symboliek
Preoperationeel (2-7 jaar) = taal, symbolisch denken – egocentrisch denken
Concreet operationeel (7-12 jaar) = verduurzaming, kennis van
omkeerbaarheid
Formeel operationeel (12 jaar-volwassenheid) = logisch/abstract denken
Schema’s
Adaptatie = reageren/aanpassen nieuwe informatie
Assimilatie = interpreteren binnen bestaande schema’s (bijv. zebra wordt
paard genoemd)
Accommodatie = bestaande schema’s aanpassen (bijv. zebra wordt apart
schema)
, o Ineormatieverwerkingstheorie = op welke manier coderen/opslaan/terughalen
o Cognitieve neurowetenschap = hersenprocessen/neurologische activiteit tijdens cognitieve
activiteit
- Systemisch perspectiee = brede visie op ontwikkeling – relatie tussen individuen en
fysieke/cognitieve/persoonlijkheids-/sociale wereld
o Bio-ecologisch model – Bronfenbrenner = 5 omgevingsniveaus
Microsysteem = dagelijkse/directe omgeving (bijv. ouders/verzorger, leraren)
Mesosysteem = connecties aspecten microsysteem (bijv. ouders-kind/leraren-
leerlingen)
Exosysteem = sociale instituties (bijv. school, kerk, overheid)
Macrosysteem = overkoepelende culturele invloeden (bijv. politiek, geloof)
Chronosysteem = verstrijken van tijd
o Socioculturele theorie – Vygotsky = sociale interactie tussen leden cultuur
Wederzijdse interactie
Scaffolding
- Evolutionair perspectiee = wat onze voorouders bijdragen aan ons gedrag
o Evolutietheorie – Darwin
Wetenschappeliijk onderzoek
- Hypothese ontwikkelen
1. Theorie vormen
2. Hypothese (= voorspelling) opstellen
3. Operationaliseren (= hypothese vertalen in specifieke, toetsbare procedures) – validiteit
toetsen
- Objectieve data verzamelen – hypothese toetsen
o Experiment
Experimentele groep – wordt blootgesteld
Controlegroep
Onafhankeliijke variabele = gemanipuleerd
Afhankeliijke variabele = resultaat
- Resultaten analyseren
- Resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Soorten onderzoek:
- Experimenteel onderzoek = causale relaties – experimenten
- Correlationeel onderzoek = verbanden aantonen
- Surveyonderzoek = vragen stellen
- Natuurliijke observatie = observeren, zonder ingrijpen
o Veldonderzoek = natuurlijke omgeving
- Casestudy = diepte-interviews
- Laboratoriumonderzoek = gecontroleerde omgeving
- Theoretisch onderzoek = verklaringen toetsen, nieuwe wetenschappelijke kennis vergaren
- Toegepast onderzoek = oplossingen voor directe problemen vinden
Veranderingen in ontwikkeling te meten:
- Longitudinaal onderzoek = door de tijd heen – mensen volgen
- Dwarsdoorsnedeonderzoek = verschillende leeftijden op hetzelfde moment met elkaar
vergelijken
- Cross-sequentieel onderzoek = verschillende leeftijdsgroepen op verschillende tijdstippen -
combinatie
Hoofdstuk 3 Het begin van het leven
Gameten = geslachtscellen bevruchting (= conceptie) zygote = nieuw gevormde cel
, Genen = basiseenheid genetische informatie
- Opgebouwd uit DNA
o 46 chromosomen – 23 paren
- Monozygotische tweeling = eeneiiig – dezelfde zygote genetisch identiek
- Dizygotische tweeling = twee-eiig – 2 afzonderlijke eicellen bevrucht door 2 afzonderlijke zaadcellen
- Dominante eigenschap = komt tot uiting
- Recessieve eigenschap = aanwezig in organisme, komt niet tot uiting
- Genotype = aanwezig (onzichtbaar) genetisch materiaal
- Fenotype = waarneembaar kenmerk
o Mendel – erwtenplanten
Allelen = door genen gevormde paren die eigenschappen bevaten die verschillende vormen kunnen
aannemen (bijv. haar-/oogkleur)
- Homozygoot = gelijke genen van elke ouder voor bepaalde eigenschap
- Heterozygoot = verschillende genen dominante eigenschap komt ten uiting
- Polygenische overerving = combinatie van meerdere genenparen verantwoordelijk voor specifieke
eigenschap (bijv. bloedgroep AB)
- Multieactoriële overerving = combinatie van genetische factoren en omgevingsfactoren
Genoom = geheel alle genen van chromosomen van individu
Gedragsgenetica = onderzoek naar effecten van erfelijkheid op gedrag
Erfelijke/genetische stoornissen:
- Downsyndroom = extra chromosoom op 21e paar 47 chromosomen i.p.v. 46
- Fragiel X-syndroom = beschadiging gen op X-chromosoom
- Sikkelcelanemie = bloedaandoening
- Ziekte van Duchenne = spierzwakte afname spiermassa
- Syndroom van Klineeelter = aanwezigheid extra X-chromosoom – XXX-paar
Prenataal onderzoek:
- Chorionvillusbiopsie (CVB)/vlokkentest (week 8-11) = monsters haarachtig materiaal om embryo
- Eerstetrimesterscreeningtest (week 11-13) = bloedtest + echoscopie (= geluidsgolven met hoge
frequentie)
- Vruchtwaterpunctie (week 15-18) = monster foetale cellen uit vruchtzak
- Foetale bloedtest (> 18 weken) = bloed uit navelstreng
Invloed geven op omgeving:
- Actieve genotype-omgevingsefecten = aspecten van omgeving waarin genetisch bepaalde
capaciteiten tot bloei kunnen komen (bijv. actief kind interesse in sport / gereserveerd kind
computerspelletjes)
- Passieve genotype-omgevingsefecten = genen van ouders geassocieerd met omgeving (bijv.
sportieve ouder veel mogelijkheid om te sporten)
- Evocatieve genotype-omgevingsefecten = genen roepen specifiek type omgeving op (bijv. kind met
goede coördinatie doet veel balspelletjes ouders doen hem op sport)
Prenatale groei:
- Bevruchting = conceptie