Eigen samenvatting staats- bestuursrecht
Hoofdstuk 2 / Rechtsstaat (week 1) – staatsrecht
Staatsrecht van Koninkrijk der Nederlanden: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
- Nederland: Europese deel van Koninkrijk, met drie bijzondere gemeenten die hieronder
vallen en in het Caraïbisch gebied liggen.
Samenwerking van 4 staten wordt beschreven in: Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.
- Dit document: speelt in praktijk een beperkte rol (belangrijker is de Grondwet)
- Grondwet: bevat naast art. over de grondrechten de uitgangspunten van de organisatie van
de overheid van ons land.
Staat gekenmerkt door (3): bewoners, grondgebied en staatsgezag.
- Bewoners, ongeveer 17 miljoen. Meeste van hen zijn Nederlands: mensen die Nederlandse
nationaliteit hebben en op basis daarvan in NL mogen verblijven & inwoners met andere
nationaliteit, maar hier langdurig legaal verblijven en daarvoor over een verblijfsvergunning
beschikken.
- Grondgebied, gebied waar staat macht kan uitoefenen. Het is duidelijk waar de grenzen
lopen. Aan landszijde is dit vastgelegd in verdragen met buurlanden. Aan zeezijde door
territoriale wateren. Het is omstreden hoe de strook zee is die tot NL gerekend mag worden.
- Staatsgezag, er is een overheid bestaande uit een aantal bestuursorganen. Zo is op
rijksniveau een regering. Iedereen in NL erkent de regering, ook inwoners die niet gestemd
hebben op een van de regeringspartijen. Dit gezag is ook internationaal erkend. NLse
overheidsorganen worden door andere landen van de wereldgemeenschap erkend.
Staten zijn soeverein: hoogste en onafhankelijke macht zijn om wetten te maken en toe te passen
binnen de eigen grenzen en om internationale betrekkingen te onderhouden.
- Staten leveren een stuk van deze macht soms vrijwillig in, om internationaal samen te werken
Nederland: lid van Europese Unie (samenwerkingsverband van 27 landen in EU).
- Samenwerkingsverband is begonnen op gebied van economie, houdt zich nu bezig met een
breed scala aan onderwerpen. Voor deze samenwerking heeft NL vrijwillig een stuk van zijn
soevereiniteit niet ingeleverd. Hiervoor zijn verdragen gesloten.
- Om inhoud aan samenwerking te geven worden regels opgesteld: verordeningen en
richtlijnen (belangrijkste besluiten van de Europese Unie).
- Bij besluitvorming hierover ^ zijn lidstaten (via Raad van Ministers) als het Europees
Parlement betrokken (art. 289 lid 1 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie).
- Als besluiten op juiste wijze zijn genomen, zijn lidstaten hieraan gebonden (ookal zijn ze
tegen) en doorgaans verantwoordelijk voor uitvoering van deze regelingen.
- Feitelijk geven lidstaten hiermee ^ deel van soevereiniteit weg.
- Lidstaten hebben bewust gekozen voor lidmaatschap van deze organisatie, omdat deze
samenwerking tot economische en maatschappelijke voordelen leidt.
,Nederlandsschap
- Wie NLer is, is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rijkswet).
- Geeft allereerst het recht in ons land te verblijven. Daarnaast is er bijv. recht om aan
verkiezingen deel te nemen en van voorzieningen gebruik te maken zoals uitkering en
scholing.
- Verblijf in het buitenland kan een beroep gedaan worden op ondersteuning door
ambassade/consulaat van Nederland.
- Ontstaat van rechtswege door geboorte (art. 3 Rijkswet).
- Indien 1 of beide ouders Nederlander is, wordt het kind Nederlander. Dit geldt ook als het
buiten Nederland is geboren.
- Verkregen worden door naturalisatie (art. 7 tot 13 Rijkswet). Dat is een bewuste keuze om
Nederlandse nationaliteit aan te nemen (kan met name voor iemand die in NL woont en aan
een aantal voorwaarden voldoet).
- Hoofdregel: men minimaal 5 jaar verblijft in Nederland en in het bezit isi van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (art. 8 lid 1 Rijkswet).
- ^ op deze regelingen zijn uitzonderingen: door verlening van verblijfsvergunning heeft de
Nederlandse overheid al aangegeven dat ze het goed vindt dat de vreemdeling langdurig in
NL verblijft.
- Wie door naturisatie NLer wordt heeft dezelfde rechten en plichten als mensen die door
geboorte NLer zijn, bijv. stemrecht voor de 2e kamer.
- Bijkomende eis: geprobeerd moet worden afstand te doen van de oude nationaliteit. Dit kan
niet altijd. Als afstand doen niet mogelijk is, krijgt men uiteindelijk 2 nationaliteiten.
- Criteria voor naturalisatie staan regelmatig ter discussie; zo bepleit de VVD voor langere
wachttijd.
- Kan men ook verliezen (Rijkswet art. 14 tot 16a). Dat kan bijv. door vrijwillig een andere
nationaliteit aan te nemen. Uitgangspunt in het beleid is dat iedereen slechts een
nationaliteit heeft.
Tot bewoners van NL: groot aantal buitenlanders (mensen die van origine uit een ander land komen,
maar hier voor kortere of langere tijd verblijven en nog niet over de Nederlandse nationaliteit
beschikken).
- Toeristen: verblijven kort, enkele dagen tot weken in NL. kunnen soms zonder enige
formaliteit naar NL komen: bijv. burgers uit andere lidstaten van de Europese Unie.
- Andere buitenlanders:
-moeten vooraf toestemming vragen om naar ons land te komen. doen ze in land waar ze
wonen een visum aan te vragen NLse overheid kan voordat ze hier zijn beoordelen of hun
verblijf in NL is toegestaan.
-vluchtelingen of studenten, of NL iemand toelaat hangt van diens verblijfsdoel af: voor elk
verblijfsdoel kent de vreemdelingenwetgeving eigen criteria.
- Burgers van andere EU-lidstaten kunnen zonder voorafgaande toestemming van nationale
overheid een andere EU-land inreizen (art. 21 lid 1 Verdrag betreffende de werking van EU).
Hebben het recht om hier werk te zoeken en een arbeidsovereenkomst aan te gaan. kunnen
hier ook studeren of rentenieren.
- EU-verdragen regelen deze rechten en regeringen van lidstaten hebben hier weinig over te
zeggen. Ligt anders bij vreemdelingen die van buiten de EU komen.
- Vreemdelingen buiten EU: bepalen lidstaten zelf wie ze wel en niet willen laten. Beoordeling
van die verzoeken gebeurt op basis van wetten.
- Mensen die komen werken wordt beoordeeld of werk niet gedaan kan worden door mensen
die hier al zijn, alleen als die er niet zijn mag een vreemdeling dit werk doen.
, - Voor kenniswerkers – een vreemdeling die gespecialiseerd goed betaald werk verricht gelden
ruimere regels.
- Mensen die uit land gevlucht zijn, wordt beoordeeld of ze gevaar lopen als ze teruggezonden
worden.
- Momenteel is toelating van deze groepen vreemdelingen nog een nationale zaak, maar de EU
heeft hierbij ook een belang, want toelating tot het ene EU-land kan op termijn rechten
geven in een van de andere lidstaten.
- EU is betrokken bij bewaken van de buitengrenzen.
- Hoofdregels voor toelating van EU-burgers: vindt je in Verdrag betreffende werking van EU.
- Regels toelating vreemdelingen buiten EU: vindt je in Vreemdelingenwet.
Staten: hebben veel macht en zijn monopolist.
- Mag alleen regels opleggen die eventueel met dwangmiddelen afdwingen. Zo kan staat
gevangenisstraf opleggen of burgers belastingaanslag voor inkomstenbelasting opleggen.
- Lagere overheden hebben veel macht (bijv. eis dat bouwvergunning/omgevingsvergunning
vereist is om op eigen grond een huis te mogen bouwen).
Keus die men in privaatrecht heeft, bestaat niet in publiekrecht.
- Wie een bureau wil kopen voor zijn studentenkamer is vrij een winkel te kiezen. Wie kleding
wil kopen heeft de keus uit winkels en websites te kiezen. Bij overheid kan dat niet. Wie in
Zwolle een huis wil bouwen, moet bij college van B & W Zwolle de omgevingsvergunning
aanvragen. Keuze om dit bij andere gemeente te doen, waar beleid meer past bij eigen
wensen hebben burgers niet.
De grote macht moet goed worden gebruikt, uitgangspunten (om macht zuiver uit te oefenen): trias
politica, legaliteitsbeginsel en grondrechten.
- Uitgangspunt: 3 machten gescheiden zijn. ze dienen los van elkaar te staan en door 3
onafhankelijke instanties uitgevoerd te worden. Onafhankelijkheid blijkt uit feit dat je niet
gelijktijdig lid kunt zijn van organen uit wetgevende, uitvoerende of rechterlijke macht.
- Machten dienen elkaar in evenwicht te houden en zo nodig te corrigeren (Montesquieu).
Trias politica: scheiding der machten
(3) machten,
1. Wetgevende macht:
- Opstellen van regels (algemeen verbindende regels, waar iedereen zich aan moet houden
WvSr en Wegensverkeerswet). Deze regels kunnen vergaande gevolgen hebben voor
betrokkenen.
- Overheid kan straf opleggen als burgers regels niet naleven.
- Binnen rijksoverheid worden belangrijkste wetten opgesteld door Staten-Generaal (het
Parlement) in samenwerking met de regering. Bij provincies door Provinciale Staten en
gemeenten door Gemeenteraad.
2. Uitvoerende macht/ het bestuur:
- Als regels zijn aangenomen moeten ze worden uitgevoerd.
- In praktijk gebeurt dit door ambtenaren op de ministeries en door allerlei
uitvoeringsdiensten (Belastingsdienst, Politie en DUO).
- Verantwoordelijk voor uitvoering van landelijke regels is de regering (belangrijkste instantie
binnen uitvoerende macht).
- In provincies wordt deze macht uitgeoefend door Gedeputeerde Staten en in gemeenten
door college van burgemeester en wethouders.
,3. Rechterlijke macht:
- Bestaat uit onafhankelijke rechters. Die spreken zich uit over juridishce geschillen tussen
burgers onderling en burgers in verhouding met overheidsinstanties.
- Onafhankelijkheid van die rechters is van groot belang, alleen dan kan er toezicht zijn op goed
gebruik van bevoegdheden van de andere overheidsorganen.
- Rechters worden voor het leven benoemd.
- Hoeven niet bang te zijn dat na uitspraken waarover overheid ontevreden is niet
herbenoemd worden. Ze kunnen ook geen instructie krijgen van overheidsfunctionarissen.
Leer van Montesquieu heeft ontwikkeling vna modere rechtstaten sterk beinvloed. In NLse GW is
taakverdeling terug te vinden. Zo zie je uitdrukkelijk aangegeven wat taken van staatsorganen op
rijksniveau zijn:
Staten-Generaal + regering = wetgevende taak. Belangrijkste wetten op rijksniveau (art. 81
GW).
Regering heeft uitvoerende macht. Zien we aan haar opgedragen taken in GW en vele andere
wetten.
Rechtspraak is in art. 112 en 113 GW aan rechtelijke macht toebedeeld. Onafhankelijkheid
blijkt uit feit dat rechters op grond van art. 117 GW voor leven worden benoemd.
- Rechter controleert uitvoerende macht.
- Elke macht heeft eigen taak (zorgt voor evenwicht).
- Raad van State heeft een dubbelfunctie: hij adviseert over alle landelijke wetgeving (en is
daarmee betrokken bij de wetgevende taak) maar is ook de hoogste rechter in aantal
bestuursrechtelijke geschillen (in praktijk gewerkt aan veranderingen waar deze dubbeltaak
verwijndt).
Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden op democratische wijze tot stand gekomen algemeen
verbindende regel gebaseerd moet zijn.
- Elk overheidsoptreden is uiteindelijk gelegitimeerd door volksvertegenwoordiging bijv.
(art. 16 GW): ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke
strafbepaling’. Deze bepaling is verder uitgewerkt in de strafwetgeving, onder meer in het
WvSr. Hier valt uit wet af te leiden welke zaken strafbaar zijn en hoe hoog die straf max. kan
zijn.
- Soms is dat minder direct zichtbaar. Bestuursorgaan heeft dan ruimte om inhoud te geven
aan wettelijke normen, zodat beslissing niet rechtstreeks uit de wet volgt, maar wel terug te
voeren is op een wet (geldt bijv. voor staatssecretaris van justitie als hij over toelating van
vreemdelingen beslist).
- Overheid moet optreden altijd kunen verantwoorden met verwijzing naar haar bij wet
gegeven bevoegdheid (draagt bij aan zuiver overheidsoptreden).
- Zo wordt de hoogste van belastingaanslagen die verstuurd worden naar burgers niet door
willekeur bepaald, maar gebasseerd op heldere regels, die opgenomen zijn in
belastingwetgeving en die door iedereen gelijke wijze worden toegepast.
Grondwet: belangrijk document voor functioneren van de overheid (op rijks- als op lager niveau).
- Statuut van Koninklijk der Nederlanden speelt nauwelijks een rol.
- Begint met grondrechten. Belang blijkt uit plaats in 1 e Hfst van GW (klassieke & sociale
grondrechten).
- Oudste grondrechten: bedoeld om burgers te beschermen tegen te veel macht van vorst. Bij
deze treedt overheid stapje terug en geeft burgers enige vrijheid om zelf inhoud aan hun
, leven te geven. Zo werden vrijheid van godsdienst (art. 6 GW) & vrijheid van meningsuiting
(art. 7 GW) geregeld, vrijheid van vereniging (art. 8 GW) klassieke grondrechten.
- Inperking grondrechten is soms mogelijk, maar dient in wet te gebeuren (art. 1 GW, het
gelijksbeginsel, kent geen berperkingsmogelijkheid). vinden we bijv. wel in art. 9 waar
vrijheid van vergadering en betoging beperkt mag worden ter bescherming van de
gezondheid en in belang van verkeer en ter voorkoming vna ongeregeldheden.
- Concrete gronden waarop beperking gebaseerd moet zijn ^.
- Meer ruimte voor beperkingen (art. 7, waar godsdienstvrijheid wordt beperkt met algemene
clausule ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’). hierin geeft wetgever
vrijheid het grondrecht in te perken.
- 2e deel GW (uitgebriedste deel) = geweid aan organisatie van overheid. Allereest komt
organisatie van rijksoverheid aan orde.
- Staatorganen worden benoemd en belangrijkste zaken over samensteling, bevoegdheden en
werkwijzen worden geregeld. Provincies + gemeenten worden genoemd evenals rechterlijke
macht. Verdere uitwerking treffen we in organieke wettten (Gemeentewet de bepalingen uit
art. 123 tot 132 GW uit).
Sociale grondrechten
- Een actieve rol van overheid. Hier wordt een inspanningsplicht van overheid verwacht.
- Gaat om recht op dak boven hoofd (art. 22 lid 2 GW) of uitkering (art. 20 GW).
- Uitgangspunt: burgers veel zaken zelf kunnen organiseren, maar dat overheid optreedt als
een burger of tijdelijk of blijvend zelf niet voor deze zaken kan zorgen dan wordt van de
overheid juist ingrijpen verwacht.
- Zijn minder hard dan klassieke grondrechten.
- Kunt niet juridisch – met een rechtstreeks beroep op art. in GW – afdwingen dat overheid
voor huisvesting van elke dakloze zorgt, maar mag wel uitgaan dat overheid zich hiervoor
inspant.
- Art. 23 GW over onderwijs: herbergt zowel klassiek als sociaal. In lid 1 vinden we het sociale
grondrecht (overheid zich in moet spannen om aanbod van onderwijs te zorgen). In lid 2 staat
dat daaronder vallen naast het recht voor godsdienstige stromingen om hun eigen scholen op
te richten ook mogelijkheid om bijzondere onderwijsvormen in te voeren zoals montessori en
jenaplan.
Staat heeft staatshoofd. Deze functie kan op verschillende wijzen krijgen.
- NL = Koninkrijk, een monarchie.
- Staatshoofd = koning, deze verkrijgt zijn functie door erfopvolging.
- Functie blijft dus binnen bepaalde familie & wordt overgedragen van ouder op kind.
- Vinden geen verkiezingen plaats als nieuwe koning moet komen. bevolking heeft dus geen
invloed.
- Geen functie-eisen waaraan nieuwe staatshoofd moet voldoen.
- Monarchie heeft brede steun in NL, klein deel van bevolking is uitdrukkelijk tegen (is
republikein.
- Tegenover monarchie staat republiek (staat president aan hoofd, deze wordt gekozen voor
lange termijn).
- Kiezen gebeurt door hele volk, dan spreken we rechtstreeks van gekozen president.
- Gekozen president heeft veel macht.
- Frankrijk: president gekozen door alle kiesgerechtige Fransen. Geeft echt leiding aan regeren
van land. Regering wordt door hem aangestuurd.
- VS: sprake van president, kent ander kiessysteem; burgers stemmen fomreel niet op
presidentskandidaat, maar op kiesmannen die voor bepaalde kandidaat zijn. Wie in staat
, meeste stemmen heeft, krijgt alle kiesmannen van die staat. Uiteindelijk kiezen kiesmannen
de president. President van VS heeft veel macht.
- Duitsland (getrapt gekozen, weinig macht – representatieve functie): president wordt
gekozen door leden van Bondsdag en vertegenwoordigers van parlementen van de
deelstaten. Belangrijkste persoon in Duitse regering is de bondskanselier (functie is te
vergelijken van NLse minister-president).
Hoofdstuk 4 / Organen van het Rijk (week 1) – staatsrecht
Koning
Belang: blijkt uit feit dat hij 1e staatsorgaan is dat in GW wordt behandeld (art. 24 t/m 41).
- Vormt volgens art. 42 lid 1 van GW samen met ministers de regering.
- Neemt niet actief aan werk van de regering deel. Heeft wekelijks overleg met de minister-
president en minder frequent met de overige ministers en met parlementsleden.
- Is voorzitter van de Raad van State (art. 74 lid 1 GW). Hiervoor geldt dat hij niet actief aan
werk van dit orgaan deelneemt, maar het voorzitten overgedragen heeft aan de
vicevoorzitter (niet om mee te beslissen, maar om zich in te werken voor koningschap).
- Heeft vooral ceremoniële functie. Maakt regelmatig reizen naar buitenland, die onder meer
als doel hebben de handel te bevorderen.
- Treedt binnen NL regelmatig op, bijv. door afleggen van werkbezoeken aan bedrijven en
instellingen.
- Opvallende taak = voorlezen van troonrede op Prinsjesdag (3 e dinsdag van sept) in
gezamenlijke vergadering van 1e en de 2e Kamer (bevat plannen die regering heeft voor
volgende jaar). Tekst is opgesteld door regering (en hier verantwoordelijk voor).
- Maakt deel uit van koninklijk huis (art. 93 GW). Bestaat uit koning + aantal directe verwanten.
Wie dat zijn, wordt geregeld in Wet lidmaatschap koninklijk huis (meesten van hen zijn
potentiële troonopvolgers of hun gezinsleden).
- Koninklijk huis = Koning en zijn vrouw en kinderen ook zijn moeder (de oud-koningin).
- Leden koninklijk huis vallen onder ministeriele verantwoordelijkheid (art. 42 lid 2 GW):
doorgaans in persoon van de minister-president, wordt aangesproken op uitspraken en
daden van leden van het koninklijke huis, in praktijk betekent dit dat zij uiterst voorzichtig zijn
bij het doen van publieke uitspraken (beperkt hun vrijheid ergens iets over te zeggen, is
eigenlijk maar 1 moment in jaar dat Koning vrij is een eigen mening te laten horen
(kersttoespraak).
- Sommige leden van koninklijke huis krijgen jaarlijkse uitkering van de staat & vergoeding voor
bepaalde functioneel gemaakte kosten. GW bepaalt dat Koning dit recht heeft en dat wet
bepaalt welke andere leden van konkinklijk huis eveneens recht op een uitkering hebben (art.
40 lid 1 GW).
- Had tot 2012 een rol in kabinetsformatie.
- Benoemde de informateurs en formateurs & voerde hiervoor overleg met onder meer de
fractievoorzitters uit 2e Kamer. In parlement is echter besloten dat dit niet langer wenselijk
was en sinds 2012 wordt de kabinetsformatie geleid door Tweede Kamer zelf.
- Enige overgebleven rol = bij vorming van nieuwe kabinet de beediging van nieuwe ministers
en staatssecretarissen.
, - Regering = Koning + ministers.
Omdat op meeste ministeries veel is te doen voor ministers is op bijna elk departement een
staatssecretaris (soort onderminister)
- Ministers + staatssecretarissen = kabinet.
- Tussen ministers & staatssecretarissen worden diverse beleidsonderdelen verdeeld, waarbij
staatssecretaris formeel onder minister staat, maar in praktijk veel ruimte heeft binnen eigen
taken.
- Mogelijkheden worden beperkt door afspraken in regeerakkoord en het feit dat wetten de
steun van de meerderheid in beide kamers van parlement nodig hebben.
- Minister = hoofd van departement (elk departement gaat over 1 of meer beleidsterreinen).
- ^ zo kennen we ministerie van Financien, ministerie van Buitenlandse Zaken en ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
- Bewindslieden (minister en staatssecretaris) op zo’n ministerie zijn samen verantwoordelijk
voor het te voeren beleid zetten voor dat departement het beleid uit + verantwoordleijk
voor alles wat gebeurt in zowel beleidsvoorbereiding als -uitvoering.
- Op ministerie werken ambtenaren (zijn vakspecialisten die beleid van ministerie
voorbereiden, opstellen van wetsontwerpen en beleidsnota’s & zijn betrokken bij uitvoering
van beleid).
- Bewindslieden, vertegenwoordigen regering, ook in Raad van Ministers van EU (daarin
vindt besluitvorming plaats over EU-regels en wordt overlegd over Europese en nationale
beleid. Welke bewindspersoon naar vergadering gaat? hangt af, van onderwerpen dat
besproken wordt.
Ministeries met & zonder portefeuille
- Ministeries met portefeuille: eigen ministerie, departement, waar ambtenaren voor hem
werken.
- Ministers zonder portefeuille: heeft dat niet, die heeft werkruimte bij andere minister in
departement & kan daar ook beroep doen op ambtenaren (bijv. minister voor buitenlandse
handelen en ontwikkelingssamenwerking).
Ministers vormen: ministerraad
- Werkwijze geregeld in Reglement van orde voor ministerraad.
- Is overleg en besluitvormingsorgaan van regering.
- Vindt wekelijks een plenaire vergadering plaats; worden hoofdpunten van beleid besproken
evenals belangrijke ontwikkelingen in binnen- en buitenland en nieuwe wetsontwerpen.
- Zijn onderraden waar vergadering worden voorbereid.
- Nemen alleen ministers deel, ze hebben elk een stem.
- Staatssecretarissen zijn uitsluitend aanwezig indien hun portefeuille aan de orde is. Als
minister afwezig is, wordt hij vervangen door een andere minister en dus niet dor eigen
staatssecretaris.
- Houden zich met hele regeringsbeleid bezig, staatssecretarissen alleen met eigen portefeuille
Minister-president = voorzitter (ministerraad)
- Heeft geen bijzondere rechten (is primus inter pares: formeel is hij gelijk aan andere
ministers).
- Is wel 1e woordvoerder van regering en treedt zodoende op bij belangrijke debatten als
regeringsverklaring en de algemene politieke beschouwingen
- Hij houdt na wekelijkse vergadering een persconferentie.
- Als regeringsleider is hij ook NLse vertegenwoordiger in Europese Raad (overleg- en
besluitvormingsorgaan van de regeringsleiders van de EU-lidstaten).
,Nadat 2e Kamerverkiezingen hebben plaatsgevonden begint de formatie (nieuw kabinet).
- 2e Kamer neemt daarvoor, (vanaf 2012) het initiatief.
- Procedure is te vinden in art. 139a van het Reglement van Orde van Tweede Kamer der SG.
- Binnen week na installatie van nieuwe leden meot de Kamer tijdens een plenair debat de
aftrap geven voor vormen van nieuw kabinet.
- Kamer wijst kort na verkiezingen een informateur aan.
- De 1e Kamer deed het zelf (in 2012), starttee met het aanwijzen van een verkenner,
toenmalige VVD-minister Kamp, die een serie orienterend gesprekken voerde met de
fractievoorzitters & op basis daarvan een voorstel deed voor benoemd van 2 informateurs (zij
krijgen opdracht, in dit geval; probeer een kabinet bestaande uit VVD en PvdA samen te
stellen. Binnen 2 maand hebben zij een kabinet samengesteld. De formatie van 2017 duurde
veel langer en leidde uiteindelijk tot kabinet met 5 partijen).
- Kabinetsformatie bijna rond? doen informateurs verslag aan Tweede Kamer (die stellen
vervolgens een formateur aan, die de kabinetsformatie afrondt (dit is beoogde minister-
president, die op deze wijze gelegenheid krijgt extra invloed te hebben op
regeringsprogramma en op de te benoemen bewindslieden).
- Kandidaten voor ministerschap of voor een post als staatssecretaris worden voorgedragen
door fractievoorzitters van hun partij (alvorens worden ze benoemd hebben ze gesprek met
formateur).
- Voor 2012 had Koning initiatie bij kabinetsformatie (rol definitief voorbij nu).
- Kabinetsformatie afgerond wordt kabinet beedigd door Koning.
- Bewindslieden worden bij koninklijk besluit benoemd (art. 43 GW). Dan wordt het
regeerakkoord gepubliceerd (bevat beleidsvoornemens van nieuwe kabinet).
- Na beediging vindt 1e vergadering van nieuw kabinet plaats (constituerend bereid, huiselijk
gezegd de oprichtingsvergadering van het kabinet).
- Is de 1e keer dat ministersploeg in nieuwe samenstelling bijeenkomt. Vervolgens spreekt
nieuwe minister-president in plenaire vergadering van Tweede Kamer de regeringsverklaring
uit (daarin worden hoofdlijnen van plannen van nieuwe regering nog eens uiteengezet.
Daarbij vraagt regering aan Kamer het vertrouwen in nieuwe regering uit te spreken (gebeurt
bijna altijd, want de partijen die regering vormen, hebben doorgaans bij formatie voor
gezorgd dat meerderheid in Tweede Kamer beschikken.
- Tegenwoordig moet gekeken worden naar meerderheid in Eerste Kamer, omdat die qua
samenstelling afwijkt van de Tweede Kamer.
- Formatie gaat niet altijd zo snel als in 2022. Als informateurs niet slagen in opdracht
rapporteren ze dat aan Tweede Kamer. Na debat tussen fractievoorzitters worden doorgaans
nieuwe informateurs benoemd (hele procedure begint dan opnieuw, maar met nieuwe
opdracht. Gaat door tot regering gevormd is).
- Oude regering blijft in functie tot de formatie rond is (demissionair). Neemt geen grote
initiatieven meer, maar doet alleen zaken die strikt nodig zijn (tijdig indienen van begroting,
op basis van ongewijzigd beleid & vertegenwoordigen van NL in diverse bijeenkomsten van
EU.
Parlement (aka Staten-Generaal: naam verwijst naar samenwerking van zeven Verenigde
Nederlanden in 16e tot 18e eeuw), belangrijkste orgaan binnen NL overheid:
- Bestaat uit twee Kamers (Eerste Kamer & Tweede Kamer).
- Tweede Kamer (150 leden): wordt om 4 jaar rechtstreeks gekozen door kiesgerechtigde
NLsers. Zijn fulltime met volks vertegenwoordigende taken bezig.
- Eerste Kamer (75 leden): wordt om 4 jaar door leden van Provinciale Staten van 12 provincies
gekozen. Leden van 1e Kamer vervullen deze functie doorgaans als nevenfunctie naast baan
buiten politiek.
- Aantal leden van beide Kamers is geregeld in art. 51 van GW en zittingsduur in art. 52 GW.
, - Iemand kan niet gelijktijdig lid van beide kamers zijn. Kamerlidmaatschap valt niet te
combineren met aantal ander functies zoals ministers en staatssecretaris (art. 57 GW).
- Formeel vervullen Tweede en Eerste Kamer samen taken van volksvertegenwoordiging, maar
feitelijk ligt zwaartepunt van werkzaamheden bij Tweede Kamer.
(2) belangrijkste taken parlement:
Samen met regering vaststellen van wetten (art. 81 GW).
Controleren van regering. Toezien op vraag of genomen besluiten wel worden uitgevoerd en
dit op effectieve en efficiente wijze gebeurt.
- Vergaderingen van Tweede en Eerste Kamer zijn openbaar. Bezoeken daarvan is mogelijk en
kunnen geregeld worden via ProDemos (huis voor democratie en rechtstaat).
Kamerleden werken samen in: fracties (bestaat uit alle kamerleden die voor dezelfde partij
gekozen zijn).
- Hoe groter de fractie, hoe meer invloed.
- Fracties verdelen ook het werk, zodat Kamerleden zich kunnen specialiseren in bepaalde
onderwerpen.
- Elke fractie heeft een voorzitter die fractie leidt en als 1 e woordvoerder optreedt (bijv. bij
algemene beschouwingen), betreft: feitelijke gang van zaken, juridisch bestaan fracties niet.
Formele besluitvorming vindt in beide Kamers in plenaire vergadering plaats.
- Besluitvorming wordt voorbereid in Kamercommissies (zijn groepen Kamerleden die zich
bezighouden met een bepaald beleidsterrein, bijv. Binnenlandse Zaken of Economische
Zaken.
- In commissies worden wetsontwerpen besproken, maar komen ook allerlei ontwikkelingen
op beleidsterrein van commissie aan orde (hierin worden belangrijke vergaderingen van EU
waar bewindsleden NL vertegenwoordigen voor- en nabesproken.
- Tijdens plenaire vergadering: zitten weinig Kamerleden in grote vergaderzaal, alleen
Kamerleden die zich met geagendeerde voorstel bezighouden. Andere Kamerleden hebben
opdat moment commissievergaderingen, zitten op hun werkkamers stukken te lezen/ overleg
met burgers & organisaties.
- Alleen tijdens stemmingen en belangrijke debatten (algemene beschouwingen) zitten alle
Kamerleden in de vergaderzaal.
- Beide Kamers hebben een Reglement van Orde, waarin gedetailleerd is geregeld hoe
vergaderingen verlopen en besluitvorming plaatsvindt.
Begroting
- Jaarlijks vastgesteld door parlement. Heeft budgetrecht (geregeld in art. 105 lid 1 en 2 GW).
- Bestaat uit serie wetten: voor elk departement een aparte wet. Daarin staat niet alleen
hoeveel geld aan welk doel wordt besteed, maar ook inhoudelijke plannen op betreffende
beleidsterrein besproken.
- 3e dinsdag van sept, wordt ontwerpbegroting door minister van Financien aan Tweede Kamer
aangeboden (is voorbereid door regering, besproken in ministerraad en voor advies
voorgelegd aan Raad van State).
- Behandeling begint met algemene beschouwingen (debat in 2 e Kamer waarbij
fractievoorzitters in debat gaan met minister-president – worden hoofdlijnen van beleid en
alternatieven die diverse Kamerfracties daarvoor hebben besproken.
- Oppositiepartijen dienen vaak tegenbegroting in. Geven daarin aan wat zij anders zouden
doen als zij aan de macht zouden zijn. na algemene beschouwingen zijn financiele
beschouwingen (daarin debatteren financiële specialisten van diverse fracties met minister
Hoofdstuk 2 / Rechtsstaat (week 1) – staatsrecht
Staatsrecht van Koninkrijk der Nederlanden: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
- Nederland: Europese deel van Koninkrijk, met drie bijzondere gemeenten die hieronder
vallen en in het Caraïbisch gebied liggen.
Samenwerking van 4 staten wordt beschreven in: Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.
- Dit document: speelt in praktijk een beperkte rol (belangrijker is de Grondwet)
- Grondwet: bevat naast art. over de grondrechten de uitgangspunten van de organisatie van
de overheid van ons land.
Staat gekenmerkt door (3): bewoners, grondgebied en staatsgezag.
- Bewoners, ongeveer 17 miljoen. Meeste van hen zijn Nederlands: mensen die Nederlandse
nationaliteit hebben en op basis daarvan in NL mogen verblijven & inwoners met andere
nationaliteit, maar hier langdurig legaal verblijven en daarvoor over een verblijfsvergunning
beschikken.
- Grondgebied, gebied waar staat macht kan uitoefenen. Het is duidelijk waar de grenzen
lopen. Aan landszijde is dit vastgelegd in verdragen met buurlanden. Aan zeezijde door
territoriale wateren. Het is omstreden hoe de strook zee is die tot NL gerekend mag worden.
- Staatsgezag, er is een overheid bestaande uit een aantal bestuursorganen. Zo is op
rijksniveau een regering. Iedereen in NL erkent de regering, ook inwoners die niet gestemd
hebben op een van de regeringspartijen. Dit gezag is ook internationaal erkend. NLse
overheidsorganen worden door andere landen van de wereldgemeenschap erkend.
Staten zijn soeverein: hoogste en onafhankelijke macht zijn om wetten te maken en toe te passen
binnen de eigen grenzen en om internationale betrekkingen te onderhouden.
- Staten leveren een stuk van deze macht soms vrijwillig in, om internationaal samen te werken
Nederland: lid van Europese Unie (samenwerkingsverband van 27 landen in EU).
- Samenwerkingsverband is begonnen op gebied van economie, houdt zich nu bezig met een
breed scala aan onderwerpen. Voor deze samenwerking heeft NL vrijwillig een stuk van zijn
soevereiniteit niet ingeleverd. Hiervoor zijn verdragen gesloten.
- Om inhoud aan samenwerking te geven worden regels opgesteld: verordeningen en
richtlijnen (belangrijkste besluiten van de Europese Unie).
- Bij besluitvorming hierover ^ zijn lidstaten (via Raad van Ministers) als het Europees
Parlement betrokken (art. 289 lid 1 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie).
- Als besluiten op juiste wijze zijn genomen, zijn lidstaten hieraan gebonden (ookal zijn ze
tegen) en doorgaans verantwoordelijk voor uitvoering van deze regelingen.
- Feitelijk geven lidstaten hiermee ^ deel van soevereiniteit weg.
- Lidstaten hebben bewust gekozen voor lidmaatschap van deze organisatie, omdat deze
samenwerking tot economische en maatschappelijke voordelen leidt.
,Nederlandsschap
- Wie NLer is, is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rijkswet).
- Geeft allereerst het recht in ons land te verblijven. Daarnaast is er bijv. recht om aan
verkiezingen deel te nemen en van voorzieningen gebruik te maken zoals uitkering en
scholing.
- Verblijf in het buitenland kan een beroep gedaan worden op ondersteuning door
ambassade/consulaat van Nederland.
- Ontstaat van rechtswege door geboorte (art. 3 Rijkswet).
- Indien 1 of beide ouders Nederlander is, wordt het kind Nederlander. Dit geldt ook als het
buiten Nederland is geboren.
- Verkregen worden door naturalisatie (art. 7 tot 13 Rijkswet). Dat is een bewuste keuze om
Nederlandse nationaliteit aan te nemen (kan met name voor iemand die in NL woont en aan
een aantal voorwaarden voldoet).
- Hoofdregel: men minimaal 5 jaar verblijft in Nederland en in het bezit isi van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (art. 8 lid 1 Rijkswet).
- ^ op deze regelingen zijn uitzonderingen: door verlening van verblijfsvergunning heeft de
Nederlandse overheid al aangegeven dat ze het goed vindt dat de vreemdeling langdurig in
NL verblijft.
- Wie door naturisatie NLer wordt heeft dezelfde rechten en plichten als mensen die door
geboorte NLer zijn, bijv. stemrecht voor de 2e kamer.
- Bijkomende eis: geprobeerd moet worden afstand te doen van de oude nationaliteit. Dit kan
niet altijd. Als afstand doen niet mogelijk is, krijgt men uiteindelijk 2 nationaliteiten.
- Criteria voor naturalisatie staan regelmatig ter discussie; zo bepleit de VVD voor langere
wachttijd.
- Kan men ook verliezen (Rijkswet art. 14 tot 16a). Dat kan bijv. door vrijwillig een andere
nationaliteit aan te nemen. Uitgangspunt in het beleid is dat iedereen slechts een
nationaliteit heeft.
Tot bewoners van NL: groot aantal buitenlanders (mensen die van origine uit een ander land komen,
maar hier voor kortere of langere tijd verblijven en nog niet over de Nederlandse nationaliteit
beschikken).
- Toeristen: verblijven kort, enkele dagen tot weken in NL. kunnen soms zonder enige
formaliteit naar NL komen: bijv. burgers uit andere lidstaten van de Europese Unie.
- Andere buitenlanders:
-moeten vooraf toestemming vragen om naar ons land te komen. doen ze in land waar ze
wonen een visum aan te vragen NLse overheid kan voordat ze hier zijn beoordelen of hun
verblijf in NL is toegestaan.
-vluchtelingen of studenten, of NL iemand toelaat hangt van diens verblijfsdoel af: voor elk
verblijfsdoel kent de vreemdelingenwetgeving eigen criteria.
- Burgers van andere EU-lidstaten kunnen zonder voorafgaande toestemming van nationale
overheid een andere EU-land inreizen (art. 21 lid 1 Verdrag betreffende de werking van EU).
Hebben het recht om hier werk te zoeken en een arbeidsovereenkomst aan te gaan. kunnen
hier ook studeren of rentenieren.
- EU-verdragen regelen deze rechten en regeringen van lidstaten hebben hier weinig over te
zeggen. Ligt anders bij vreemdelingen die van buiten de EU komen.
- Vreemdelingen buiten EU: bepalen lidstaten zelf wie ze wel en niet willen laten. Beoordeling
van die verzoeken gebeurt op basis van wetten.
- Mensen die komen werken wordt beoordeeld of werk niet gedaan kan worden door mensen
die hier al zijn, alleen als die er niet zijn mag een vreemdeling dit werk doen.
, - Voor kenniswerkers – een vreemdeling die gespecialiseerd goed betaald werk verricht gelden
ruimere regels.
- Mensen die uit land gevlucht zijn, wordt beoordeeld of ze gevaar lopen als ze teruggezonden
worden.
- Momenteel is toelating van deze groepen vreemdelingen nog een nationale zaak, maar de EU
heeft hierbij ook een belang, want toelating tot het ene EU-land kan op termijn rechten
geven in een van de andere lidstaten.
- EU is betrokken bij bewaken van de buitengrenzen.
- Hoofdregels voor toelating van EU-burgers: vindt je in Verdrag betreffende werking van EU.
- Regels toelating vreemdelingen buiten EU: vindt je in Vreemdelingenwet.
Staten: hebben veel macht en zijn monopolist.
- Mag alleen regels opleggen die eventueel met dwangmiddelen afdwingen. Zo kan staat
gevangenisstraf opleggen of burgers belastingaanslag voor inkomstenbelasting opleggen.
- Lagere overheden hebben veel macht (bijv. eis dat bouwvergunning/omgevingsvergunning
vereist is om op eigen grond een huis te mogen bouwen).
Keus die men in privaatrecht heeft, bestaat niet in publiekrecht.
- Wie een bureau wil kopen voor zijn studentenkamer is vrij een winkel te kiezen. Wie kleding
wil kopen heeft de keus uit winkels en websites te kiezen. Bij overheid kan dat niet. Wie in
Zwolle een huis wil bouwen, moet bij college van B & W Zwolle de omgevingsvergunning
aanvragen. Keuze om dit bij andere gemeente te doen, waar beleid meer past bij eigen
wensen hebben burgers niet.
De grote macht moet goed worden gebruikt, uitgangspunten (om macht zuiver uit te oefenen): trias
politica, legaliteitsbeginsel en grondrechten.
- Uitgangspunt: 3 machten gescheiden zijn. ze dienen los van elkaar te staan en door 3
onafhankelijke instanties uitgevoerd te worden. Onafhankelijkheid blijkt uit feit dat je niet
gelijktijdig lid kunt zijn van organen uit wetgevende, uitvoerende of rechterlijke macht.
- Machten dienen elkaar in evenwicht te houden en zo nodig te corrigeren (Montesquieu).
Trias politica: scheiding der machten
(3) machten,
1. Wetgevende macht:
- Opstellen van regels (algemeen verbindende regels, waar iedereen zich aan moet houden
WvSr en Wegensverkeerswet). Deze regels kunnen vergaande gevolgen hebben voor
betrokkenen.
- Overheid kan straf opleggen als burgers regels niet naleven.
- Binnen rijksoverheid worden belangrijkste wetten opgesteld door Staten-Generaal (het
Parlement) in samenwerking met de regering. Bij provincies door Provinciale Staten en
gemeenten door Gemeenteraad.
2. Uitvoerende macht/ het bestuur:
- Als regels zijn aangenomen moeten ze worden uitgevoerd.
- In praktijk gebeurt dit door ambtenaren op de ministeries en door allerlei
uitvoeringsdiensten (Belastingsdienst, Politie en DUO).
- Verantwoordelijk voor uitvoering van landelijke regels is de regering (belangrijkste instantie
binnen uitvoerende macht).
- In provincies wordt deze macht uitgeoefend door Gedeputeerde Staten en in gemeenten
door college van burgemeester en wethouders.
,3. Rechterlijke macht:
- Bestaat uit onafhankelijke rechters. Die spreken zich uit over juridishce geschillen tussen
burgers onderling en burgers in verhouding met overheidsinstanties.
- Onafhankelijkheid van die rechters is van groot belang, alleen dan kan er toezicht zijn op goed
gebruik van bevoegdheden van de andere overheidsorganen.
- Rechters worden voor het leven benoemd.
- Hoeven niet bang te zijn dat na uitspraken waarover overheid ontevreden is niet
herbenoemd worden. Ze kunnen ook geen instructie krijgen van overheidsfunctionarissen.
Leer van Montesquieu heeft ontwikkeling vna modere rechtstaten sterk beinvloed. In NLse GW is
taakverdeling terug te vinden. Zo zie je uitdrukkelijk aangegeven wat taken van staatsorganen op
rijksniveau zijn:
Staten-Generaal + regering = wetgevende taak. Belangrijkste wetten op rijksniveau (art. 81
GW).
Regering heeft uitvoerende macht. Zien we aan haar opgedragen taken in GW en vele andere
wetten.
Rechtspraak is in art. 112 en 113 GW aan rechtelijke macht toebedeeld. Onafhankelijkheid
blijkt uit feit dat rechters op grond van art. 117 GW voor leven worden benoemd.
- Rechter controleert uitvoerende macht.
- Elke macht heeft eigen taak (zorgt voor evenwicht).
- Raad van State heeft een dubbelfunctie: hij adviseert over alle landelijke wetgeving (en is
daarmee betrokken bij de wetgevende taak) maar is ook de hoogste rechter in aantal
bestuursrechtelijke geschillen (in praktijk gewerkt aan veranderingen waar deze dubbeltaak
verwijndt).
Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden op democratische wijze tot stand gekomen algemeen
verbindende regel gebaseerd moet zijn.
- Elk overheidsoptreden is uiteindelijk gelegitimeerd door volksvertegenwoordiging bijv.
(art. 16 GW): ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke
strafbepaling’. Deze bepaling is verder uitgewerkt in de strafwetgeving, onder meer in het
WvSr. Hier valt uit wet af te leiden welke zaken strafbaar zijn en hoe hoog die straf max. kan
zijn.
- Soms is dat minder direct zichtbaar. Bestuursorgaan heeft dan ruimte om inhoud te geven
aan wettelijke normen, zodat beslissing niet rechtstreeks uit de wet volgt, maar wel terug te
voeren is op een wet (geldt bijv. voor staatssecretaris van justitie als hij over toelating van
vreemdelingen beslist).
- Overheid moet optreden altijd kunen verantwoorden met verwijzing naar haar bij wet
gegeven bevoegdheid (draagt bij aan zuiver overheidsoptreden).
- Zo wordt de hoogste van belastingaanslagen die verstuurd worden naar burgers niet door
willekeur bepaald, maar gebasseerd op heldere regels, die opgenomen zijn in
belastingwetgeving en die door iedereen gelijke wijze worden toegepast.
Grondwet: belangrijk document voor functioneren van de overheid (op rijks- als op lager niveau).
- Statuut van Koninklijk der Nederlanden speelt nauwelijks een rol.
- Begint met grondrechten. Belang blijkt uit plaats in 1 e Hfst van GW (klassieke & sociale
grondrechten).
- Oudste grondrechten: bedoeld om burgers te beschermen tegen te veel macht van vorst. Bij
deze treedt overheid stapje terug en geeft burgers enige vrijheid om zelf inhoud aan hun
, leven te geven. Zo werden vrijheid van godsdienst (art. 6 GW) & vrijheid van meningsuiting
(art. 7 GW) geregeld, vrijheid van vereniging (art. 8 GW) klassieke grondrechten.
- Inperking grondrechten is soms mogelijk, maar dient in wet te gebeuren (art. 1 GW, het
gelijksbeginsel, kent geen berperkingsmogelijkheid). vinden we bijv. wel in art. 9 waar
vrijheid van vergadering en betoging beperkt mag worden ter bescherming van de
gezondheid en in belang van verkeer en ter voorkoming vna ongeregeldheden.
- Concrete gronden waarop beperking gebaseerd moet zijn ^.
- Meer ruimte voor beperkingen (art. 7, waar godsdienstvrijheid wordt beperkt met algemene
clausule ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’). hierin geeft wetgever
vrijheid het grondrecht in te perken.
- 2e deel GW (uitgebriedste deel) = geweid aan organisatie van overheid. Allereest komt
organisatie van rijksoverheid aan orde.
- Staatorganen worden benoemd en belangrijkste zaken over samensteling, bevoegdheden en
werkwijzen worden geregeld. Provincies + gemeenten worden genoemd evenals rechterlijke
macht. Verdere uitwerking treffen we in organieke wettten (Gemeentewet de bepalingen uit
art. 123 tot 132 GW uit).
Sociale grondrechten
- Een actieve rol van overheid. Hier wordt een inspanningsplicht van overheid verwacht.
- Gaat om recht op dak boven hoofd (art. 22 lid 2 GW) of uitkering (art. 20 GW).
- Uitgangspunt: burgers veel zaken zelf kunnen organiseren, maar dat overheid optreedt als
een burger of tijdelijk of blijvend zelf niet voor deze zaken kan zorgen dan wordt van de
overheid juist ingrijpen verwacht.
- Zijn minder hard dan klassieke grondrechten.
- Kunt niet juridisch – met een rechtstreeks beroep op art. in GW – afdwingen dat overheid
voor huisvesting van elke dakloze zorgt, maar mag wel uitgaan dat overheid zich hiervoor
inspant.
- Art. 23 GW over onderwijs: herbergt zowel klassiek als sociaal. In lid 1 vinden we het sociale
grondrecht (overheid zich in moet spannen om aanbod van onderwijs te zorgen). In lid 2 staat
dat daaronder vallen naast het recht voor godsdienstige stromingen om hun eigen scholen op
te richten ook mogelijkheid om bijzondere onderwijsvormen in te voeren zoals montessori en
jenaplan.
Staat heeft staatshoofd. Deze functie kan op verschillende wijzen krijgen.
- NL = Koninkrijk, een monarchie.
- Staatshoofd = koning, deze verkrijgt zijn functie door erfopvolging.
- Functie blijft dus binnen bepaalde familie & wordt overgedragen van ouder op kind.
- Vinden geen verkiezingen plaats als nieuwe koning moet komen. bevolking heeft dus geen
invloed.
- Geen functie-eisen waaraan nieuwe staatshoofd moet voldoen.
- Monarchie heeft brede steun in NL, klein deel van bevolking is uitdrukkelijk tegen (is
republikein.
- Tegenover monarchie staat republiek (staat president aan hoofd, deze wordt gekozen voor
lange termijn).
- Kiezen gebeurt door hele volk, dan spreken we rechtstreeks van gekozen president.
- Gekozen president heeft veel macht.
- Frankrijk: president gekozen door alle kiesgerechtige Fransen. Geeft echt leiding aan regeren
van land. Regering wordt door hem aangestuurd.
- VS: sprake van president, kent ander kiessysteem; burgers stemmen fomreel niet op
presidentskandidaat, maar op kiesmannen die voor bepaalde kandidaat zijn. Wie in staat
, meeste stemmen heeft, krijgt alle kiesmannen van die staat. Uiteindelijk kiezen kiesmannen
de president. President van VS heeft veel macht.
- Duitsland (getrapt gekozen, weinig macht – representatieve functie): president wordt
gekozen door leden van Bondsdag en vertegenwoordigers van parlementen van de
deelstaten. Belangrijkste persoon in Duitse regering is de bondskanselier (functie is te
vergelijken van NLse minister-president).
Hoofdstuk 4 / Organen van het Rijk (week 1) – staatsrecht
Koning
Belang: blijkt uit feit dat hij 1e staatsorgaan is dat in GW wordt behandeld (art. 24 t/m 41).
- Vormt volgens art. 42 lid 1 van GW samen met ministers de regering.
- Neemt niet actief aan werk van de regering deel. Heeft wekelijks overleg met de minister-
president en minder frequent met de overige ministers en met parlementsleden.
- Is voorzitter van de Raad van State (art. 74 lid 1 GW). Hiervoor geldt dat hij niet actief aan
werk van dit orgaan deelneemt, maar het voorzitten overgedragen heeft aan de
vicevoorzitter (niet om mee te beslissen, maar om zich in te werken voor koningschap).
- Heeft vooral ceremoniële functie. Maakt regelmatig reizen naar buitenland, die onder meer
als doel hebben de handel te bevorderen.
- Treedt binnen NL regelmatig op, bijv. door afleggen van werkbezoeken aan bedrijven en
instellingen.
- Opvallende taak = voorlezen van troonrede op Prinsjesdag (3 e dinsdag van sept) in
gezamenlijke vergadering van 1e en de 2e Kamer (bevat plannen die regering heeft voor
volgende jaar). Tekst is opgesteld door regering (en hier verantwoordelijk voor).
- Maakt deel uit van koninklijk huis (art. 93 GW). Bestaat uit koning + aantal directe verwanten.
Wie dat zijn, wordt geregeld in Wet lidmaatschap koninklijk huis (meesten van hen zijn
potentiële troonopvolgers of hun gezinsleden).
- Koninklijk huis = Koning en zijn vrouw en kinderen ook zijn moeder (de oud-koningin).
- Leden koninklijk huis vallen onder ministeriele verantwoordelijkheid (art. 42 lid 2 GW):
doorgaans in persoon van de minister-president, wordt aangesproken op uitspraken en
daden van leden van het koninklijke huis, in praktijk betekent dit dat zij uiterst voorzichtig zijn
bij het doen van publieke uitspraken (beperkt hun vrijheid ergens iets over te zeggen, is
eigenlijk maar 1 moment in jaar dat Koning vrij is een eigen mening te laten horen
(kersttoespraak).
- Sommige leden van koninklijke huis krijgen jaarlijkse uitkering van de staat & vergoeding voor
bepaalde functioneel gemaakte kosten. GW bepaalt dat Koning dit recht heeft en dat wet
bepaalt welke andere leden van konkinklijk huis eveneens recht op een uitkering hebben (art.
40 lid 1 GW).
- Had tot 2012 een rol in kabinetsformatie.
- Benoemde de informateurs en formateurs & voerde hiervoor overleg met onder meer de
fractievoorzitters uit 2e Kamer. In parlement is echter besloten dat dit niet langer wenselijk
was en sinds 2012 wordt de kabinetsformatie geleid door Tweede Kamer zelf.
- Enige overgebleven rol = bij vorming van nieuwe kabinet de beediging van nieuwe ministers
en staatssecretarissen.
, - Regering = Koning + ministers.
Omdat op meeste ministeries veel is te doen voor ministers is op bijna elk departement een
staatssecretaris (soort onderminister)
- Ministers + staatssecretarissen = kabinet.
- Tussen ministers & staatssecretarissen worden diverse beleidsonderdelen verdeeld, waarbij
staatssecretaris formeel onder minister staat, maar in praktijk veel ruimte heeft binnen eigen
taken.
- Mogelijkheden worden beperkt door afspraken in regeerakkoord en het feit dat wetten de
steun van de meerderheid in beide kamers van parlement nodig hebben.
- Minister = hoofd van departement (elk departement gaat over 1 of meer beleidsterreinen).
- ^ zo kennen we ministerie van Financien, ministerie van Buitenlandse Zaken en ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
- Bewindslieden (minister en staatssecretaris) op zo’n ministerie zijn samen verantwoordelijk
voor het te voeren beleid zetten voor dat departement het beleid uit + verantwoordleijk
voor alles wat gebeurt in zowel beleidsvoorbereiding als -uitvoering.
- Op ministerie werken ambtenaren (zijn vakspecialisten die beleid van ministerie
voorbereiden, opstellen van wetsontwerpen en beleidsnota’s & zijn betrokken bij uitvoering
van beleid).
- Bewindslieden, vertegenwoordigen regering, ook in Raad van Ministers van EU (daarin
vindt besluitvorming plaats over EU-regels en wordt overlegd over Europese en nationale
beleid. Welke bewindspersoon naar vergadering gaat? hangt af, van onderwerpen dat
besproken wordt.
Ministeries met & zonder portefeuille
- Ministeries met portefeuille: eigen ministerie, departement, waar ambtenaren voor hem
werken.
- Ministers zonder portefeuille: heeft dat niet, die heeft werkruimte bij andere minister in
departement & kan daar ook beroep doen op ambtenaren (bijv. minister voor buitenlandse
handelen en ontwikkelingssamenwerking).
Ministers vormen: ministerraad
- Werkwijze geregeld in Reglement van orde voor ministerraad.
- Is overleg en besluitvormingsorgaan van regering.
- Vindt wekelijks een plenaire vergadering plaats; worden hoofdpunten van beleid besproken
evenals belangrijke ontwikkelingen in binnen- en buitenland en nieuwe wetsontwerpen.
- Zijn onderraden waar vergadering worden voorbereid.
- Nemen alleen ministers deel, ze hebben elk een stem.
- Staatssecretarissen zijn uitsluitend aanwezig indien hun portefeuille aan de orde is. Als
minister afwezig is, wordt hij vervangen door een andere minister en dus niet dor eigen
staatssecretaris.
- Houden zich met hele regeringsbeleid bezig, staatssecretarissen alleen met eigen portefeuille
Minister-president = voorzitter (ministerraad)
- Heeft geen bijzondere rechten (is primus inter pares: formeel is hij gelijk aan andere
ministers).
- Is wel 1e woordvoerder van regering en treedt zodoende op bij belangrijke debatten als
regeringsverklaring en de algemene politieke beschouwingen
- Hij houdt na wekelijkse vergadering een persconferentie.
- Als regeringsleider is hij ook NLse vertegenwoordiger in Europese Raad (overleg- en
besluitvormingsorgaan van de regeringsleiders van de EU-lidstaten).
,Nadat 2e Kamerverkiezingen hebben plaatsgevonden begint de formatie (nieuw kabinet).
- 2e Kamer neemt daarvoor, (vanaf 2012) het initiatief.
- Procedure is te vinden in art. 139a van het Reglement van Orde van Tweede Kamer der SG.
- Binnen week na installatie van nieuwe leden meot de Kamer tijdens een plenair debat de
aftrap geven voor vormen van nieuw kabinet.
- Kamer wijst kort na verkiezingen een informateur aan.
- De 1e Kamer deed het zelf (in 2012), starttee met het aanwijzen van een verkenner,
toenmalige VVD-minister Kamp, die een serie orienterend gesprekken voerde met de
fractievoorzitters & op basis daarvan een voorstel deed voor benoemd van 2 informateurs (zij
krijgen opdracht, in dit geval; probeer een kabinet bestaande uit VVD en PvdA samen te
stellen. Binnen 2 maand hebben zij een kabinet samengesteld. De formatie van 2017 duurde
veel langer en leidde uiteindelijk tot kabinet met 5 partijen).
- Kabinetsformatie bijna rond? doen informateurs verslag aan Tweede Kamer (die stellen
vervolgens een formateur aan, die de kabinetsformatie afrondt (dit is beoogde minister-
president, die op deze wijze gelegenheid krijgt extra invloed te hebben op
regeringsprogramma en op de te benoemen bewindslieden).
- Kandidaten voor ministerschap of voor een post als staatssecretaris worden voorgedragen
door fractievoorzitters van hun partij (alvorens worden ze benoemd hebben ze gesprek met
formateur).
- Voor 2012 had Koning initiatie bij kabinetsformatie (rol definitief voorbij nu).
- Kabinetsformatie afgerond wordt kabinet beedigd door Koning.
- Bewindslieden worden bij koninklijk besluit benoemd (art. 43 GW). Dan wordt het
regeerakkoord gepubliceerd (bevat beleidsvoornemens van nieuwe kabinet).
- Na beediging vindt 1e vergadering van nieuw kabinet plaats (constituerend bereid, huiselijk
gezegd de oprichtingsvergadering van het kabinet).
- Is de 1e keer dat ministersploeg in nieuwe samenstelling bijeenkomt. Vervolgens spreekt
nieuwe minister-president in plenaire vergadering van Tweede Kamer de regeringsverklaring
uit (daarin worden hoofdlijnen van plannen van nieuwe regering nog eens uiteengezet.
Daarbij vraagt regering aan Kamer het vertrouwen in nieuwe regering uit te spreken (gebeurt
bijna altijd, want de partijen die regering vormen, hebben doorgaans bij formatie voor
gezorgd dat meerderheid in Tweede Kamer beschikken.
- Tegenwoordig moet gekeken worden naar meerderheid in Eerste Kamer, omdat die qua
samenstelling afwijkt van de Tweede Kamer.
- Formatie gaat niet altijd zo snel als in 2022. Als informateurs niet slagen in opdracht
rapporteren ze dat aan Tweede Kamer. Na debat tussen fractievoorzitters worden doorgaans
nieuwe informateurs benoemd (hele procedure begint dan opnieuw, maar met nieuwe
opdracht. Gaat door tot regering gevormd is).
- Oude regering blijft in functie tot de formatie rond is (demissionair). Neemt geen grote
initiatieven meer, maar doet alleen zaken die strikt nodig zijn (tijdig indienen van begroting,
op basis van ongewijzigd beleid & vertegenwoordigen van NL in diverse bijeenkomsten van
EU.
Parlement (aka Staten-Generaal: naam verwijst naar samenwerking van zeven Verenigde
Nederlanden in 16e tot 18e eeuw), belangrijkste orgaan binnen NL overheid:
- Bestaat uit twee Kamers (Eerste Kamer & Tweede Kamer).
- Tweede Kamer (150 leden): wordt om 4 jaar rechtstreeks gekozen door kiesgerechtigde
NLsers. Zijn fulltime met volks vertegenwoordigende taken bezig.
- Eerste Kamer (75 leden): wordt om 4 jaar door leden van Provinciale Staten van 12 provincies
gekozen. Leden van 1e Kamer vervullen deze functie doorgaans als nevenfunctie naast baan
buiten politiek.
- Aantal leden van beide Kamers is geregeld in art. 51 van GW en zittingsduur in art. 52 GW.
, - Iemand kan niet gelijktijdig lid van beide kamers zijn. Kamerlidmaatschap valt niet te
combineren met aantal ander functies zoals ministers en staatssecretaris (art. 57 GW).
- Formeel vervullen Tweede en Eerste Kamer samen taken van volksvertegenwoordiging, maar
feitelijk ligt zwaartepunt van werkzaamheden bij Tweede Kamer.
(2) belangrijkste taken parlement:
Samen met regering vaststellen van wetten (art. 81 GW).
Controleren van regering. Toezien op vraag of genomen besluiten wel worden uitgevoerd en
dit op effectieve en efficiente wijze gebeurt.
- Vergaderingen van Tweede en Eerste Kamer zijn openbaar. Bezoeken daarvan is mogelijk en
kunnen geregeld worden via ProDemos (huis voor democratie en rechtstaat).
Kamerleden werken samen in: fracties (bestaat uit alle kamerleden die voor dezelfde partij
gekozen zijn).
- Hoe groter de fractie, hoe meer invloed.
- Fracties verdelen ook het werk, zodat Kamerleden zich kunnen specialiseren in bepaalde
onderwerpen.
- Elke fractie heeft een voorzitter die fractie leidt en als 1 e woordvoerder optreedt (bijv. bij
algemene beschouwingen), betreft: feitelijke gang van zaken, juridisch bestaan fracties niet.
Formele besluitvorming vindt in beide Kamers in plenaire vergadering plaats.
- Besluitvorming wordt voorbereid in Kamercommissies (zijn groepen Kamerleden die zich
bezighouden met een bepaald beleidsterrein, bijv. Binnenlandse Zaken of Economische
Zaken.
- In commissies worden wetsontwerpen besproken, maar komen ook allerlei ontwikkelingen
op beleidsterrein van commissie aan orde (hierin worden belangrijke vergaderingen van EU
waar bewindsleden NL vertegenwoordigen voor- en nabesproken.
- Tijdens plenaire vergadering: zitten weinig Kamerleden in grote vergaderzaal, alleen
Kamerleden die zich met geagendeerde voorstel bezighouden. Andere Kamerleden hebben
opdat moment commissievergaderingen, zitten op hun werkkamers stukken te lezen/ overleg
met burgers & organisaties.
- Alleen tijdens stemmingen en belangrijke debatten (algemene beschouwingen) zitten alle
Kamerleden in de vergaderzaal.
- Beide Kamers hebben een Reglement van Orde, waarin gedetailleerd is geregeld hoe
vergaderingen verlopen en besluitvorming plaatsvindt.
Begroting
- Jaarlijks vastgesteld door parlement. Heeft budgetrecht (geregeld in art. 105 lid 1 en 2 GW).
- Bestaat uit serie wetten: voor elk departement een aparte wet. Daarin staat niet alleen
hoeveel geld aan welk doel wordt besteed, maar ook inhoudelijke plannen op betreffende
beleidsterrein besproken.
- 3e dinsdag van sept, wordt ontwerpbegroting door minister van Financien aan Tweede Kamer
aangeboden (is voorbereid door regering, besproken in ministerraad en voor advies
voorgelegd aan Raad van State).
- Behandeling begint met algemene beschouwingen (debat in 2 e Kamer waarbij
fractievoorzitters in debat gaan met minister-president – worden hoofdlijnen van beleid en
alternatieven die diverse Kamerfracties daarvoor hebben besproken.
- Oppositiepartijen dienen vaak tegenbegroting in. Geven daarin aan wat zij anders zouden
doen als zij aan de macht zouden zijn. na algemene beschouwingen zijn financiele
beschouwingen (daarin debatteren financiële specialisten van diverse fracties met minister