Week 8 – Casuïstek onderwijs Acuut Coronair Syndroom
Acuut coronair syndroom (ACS) is een verzamelnaam van aandoeningen waaronder instabiele angina
pectoris en acuut myocardinfarct (AMI) met zowel met (STEMI) als zonder (NSTEMI) ST-elevate
vallen. ACS komt voor met een incidente van 1.9 per 1000 mannen en 1.3 per vrouwen en neemt
sterk toe bij hogere leefijd voornamelijk boven de 65 jaar. Patinten met ACS komen vaak met
klachten van pijn op de borst welke niet over gaan. Klachten lijken qua karakter op de klachten van
angina pectoris maar waarbij de pijn doorgaans heviger is. Risicofactoren zijn roken, hypertensie,
hypercholesterolemie, insulineresistente, DM, lichamelijke inactviteit, stress en obesitas. Daarnaast
zijn ook leefijd, erfelijke factoren en – voor vrouwen – de postmenopauze.
Vaak wordt de eerste diagnose van ACS gebaseerd op een ECG waarbij een ST-elevate waargenomen
kan worden. De klinische betekenis van een ST-elevate hangt samen met de informate die het
aangeef. Wanneer er sprake is van volledig occlusie wordt gesproken van een transmuraal infarct
(afsterving van weefsel door zuurstofekort) en is een ST-elevate zichtbaar op het ECG. Wanneer er
geen ST-elevate of juist depressie wordt waargenomen geef dit de indicate dat er geen (volledige)
afsluitng ontstaat en dus geen sprake is van een transmurale ischemie. Of er sprake is van een
transmuraal infarct of epidermaal infarct is belangrijk voor de behandeling. Bij een transmuraal
infarct zijn de bijkomende complicates groter en ernstger en zal daarop moeten inspelen.
AMI wordt geclassifceerd op basis van de aanwezigheid of afwezigheid van ST-elevate op het ECG
en wordt verder onderverdeeld in 6 typen:
1. Infarct veroorzaakt door coronaire atherotrombose (afsluitng van coronaire arterie door
bloedprop).
2. Infarct veroorzaakt door een mismatch in aanvoer-vraag wat niet het resultaat is van acute
atherotrombose.
3. Infarct waardoor plotselinge dood optreedt zonder de mogelijkheid tot het vaststellen van
biomarkers of ECG conformate.
4. Infarct gerelateerd aan percutaneous coronary interventon (PCI).
5. Infarct gerelateerd aan trombose van een coronaire stent.
6. Infarct gerelateerd aan een coronaire bypass grafing (CABG) operate.
Zoals in de casuïstek bespreking over coronaire doorbloedingsstoornissen al is genoemd wordt het
hart voorzien van zuurstof gedurende de diastole fase van de hartcyclus. De belangrijkste
fysiologische parameters die de doorbloeding van het hartspierweefsel bepalen zijn de bloeddruk en
de perifere weerstand. Wanneer het drukverschil toeneemt neemt ook de doorbloeding toe. Voor de
perifere weerstand geldt dat de doorbloeding verminderd als de weerstand groter wordt.
Een vernauwing in de kransslagader van het hart leidt tot een verminderde doorbloeding en een
lokaal zuurstofekort van het myocardweefsel. Dit komt doordat er door de vernauwing minder
zuurstof naar het myocard vervoerd kan worden waardoor er lokaal een verminderde aanvoer van
zuurstofrijk bloed naar het myocardweefsel is wat leidt tot een lokaal zuurstofekort.
In de regel geldt dat >70% afsluitng van een coronair vat tot angineuze klachten (stabiele AP) leidt.
Bij ACS wordt echter vaak maar een afsluitng van 30-50% vastgesteld terwijl klachten wel duiden op
een ACS. Dit oorzaak van dit verschil wordt teruggevonden in de pathofysiologie van beide
aandoeningen. Bij ACS, waaronder ook instabiele AP valt, is er sprake van rupture van een
atherosclerotsche plaque. Hierdoor treedt de primaire hemostase in gang wat zorgt voor een
thrombusvorming die de kransslagader kan afsluiten. Bij stabiele AP is er geen sprake van plaque
ruptuur en zal een hogere mate vernauwing nodig zijn voor klinische manifestate van klachten.