Casuïstek onderwijs Coronaire doorbloedingsstoornissen
Onder coronaire doorbloedingsstoornissen wordt verstaan een verminderde doorbloeding (ischemie)
van de kransslagaderen (coronaire arteriën) van het hart. Een van de meest voorkomende coronaire
doorbloedingsstoornis is angina pectoris (AP). AP komt voor met een incidente van 2,6 op de 1000
bij mannen en 2,5 op de 1000 vrouwen en een prevalente van 26 op de 1000 bij mannen en 25 op
de 1000 bij vrouwen. Incidente en prevalente nemen sterk toe met leefijd, zowel bij mannen als bij
vrouwen en vooral boven de 65 jaar.
Bij AP is er sprake van een verstoring in de balans tussen de zuurstofaanvraag van en zuurstofaanbod
aan het myocard. Patënten hebben vaak last van pijn op de borst gedurende inspanning veroorzaakt
door ischemie van het hart. Ischemie van het myocard kan toenemen wanneer:
- De gemiddelde arteriële druk toeneemt.
- Het hartminuutvolume toeneemt.
- Wanneer de aferload toeneemt (de druk waartegen het linkerventrikel het bloed in de aorta
moet pompen).
- Bij een toename van de preload. Hierdoor neemt de wandspanning en daarmee de
zuurstofbehoefe ook toe.
Gedurende ischemie treedt er schade op aan de weefsels. De cellen hebben normaal gesproken een
aerobe verbranding wat wil zeggen dat de cellen zuurstof nodig hebben voor verbranding. ATP wordt
gebruikt als brandstof en bij afbraak wordt hier adenosine difosfaat (ADP) en anorganisch fosfaat
gevormd. Wanneer er voldoende zuurstof aanwezig is worden deze verbindingen weer hersteld en
wordt ATP opnieuw gevormd. ADP is een zeer vaatverwijdende stof en prikkelen de pijnreceptoren
waardoor een patënt pijn ervaart.
Het zuurstofaanbod aan het hard is voornamelijk afankelijk van de doorbloeding van het myocard
die plaatsvindt tjdens de diastole. Dit is de fase van de samentrekking van het hart waarin de
hartspier wordt voorzien van zuurstof. De diastolische bloeddruk en de weerstand van het coronaire
vaatbed bepalen de mate van de doorbloeding. Door toegenomen weerstand, waarvan sprake is bij
een vernauwing van de coronaire arteriën door atherosclerose, neemt de doorbloeding af. Dit komt
doordat bij rupture van een atherosclerotsche plaque een reparateproces in gang treedt waarbij
secundaire hemostase optreedt vaatvernauwing. Hierbij dient in acht genomen te worden dat pas
vanaf 70% atherosclerose de klachten signifcant verergeren. Collaterale vaten kunnen aangelegd
worden en atherosclerotsche plaques kunnen scheuren. Dit wil dus zeggen dat de ernst van
atherosclerose niet recht evenredig samenhangt met de angineuze klachten. Daarnaast kan
verminderd zuurstofaanbod ook worden veroorzaakt door anemie.
Er zijn verschillende risicofactoren voor het ontstaan van AP. Hieronder vallen roken,
hypercholesterolemie, hypertensie, diabetes, obesitas en te weinig lichaamsbeweging. Daarnaast zijn
er ook niet beïnvloedbare risicofactoren zoals mannelijk geslacht, leefijd, hart- en vaatziekten in de
voorgeschiedenis van familie, genetsche factoren en bij vrouwen de postmenopauze. Dit laatste
heef te maken met een verandering in de hormoonhuishouding doordat oestrogeenproducte
wegvalt. Oestrogeen is een normaal gesproken een beschermende factor voor hart- en vaatziekten.
Diagnose
Diagnose. Arts stelt diagnose op basis van de anamnese waarbij gevraagd wordt naar:
- Aard, lokalisate, uitstraling en frequente van het optreden van de klachten.
- Uitlokkende factoren (hierbij is stabiele AP het meest waarschijnlijk).
- Begeleidende vegetateve klachten zoals zweten, misselijkheid, bleek gelaat, angst,
onrust.