Psychologie bestudeert, beschrijft, verklaart en geeft input over verandering van gedrag.
Waarneembaar en niet waarneembare activiteiten.
Dvd: denken, voelen en doen driehoek.
IJsberg theorie met de top die zichtbaar is en eronder het niet zichtbare voelen en denken.
Perceptie: gedrag waarnemen en begrijpen.
2 processen:
1. Selectie
2. Interpretatie
Volgorde:
1. Prikkels
2. Selecteren
3. Ordenen
4. Betekenis geven
Selecteren hangt af van bepaalde kenmerken:
1. Prikkels
2. Waarnemer
3. Situatie
Bij het ordenen van prikkels proberen we er een logisch verhaal van te maken.
Attributie: hoe interpreteer je de oorzaak van gedrag.
Referentiekader:
1. Intern/extern, oorzaak bij jou of de ander
2. Instabiel/stabiel, oorzaak is tijdelijk of langdurig
3. Beïnvloedbaar/niet beïnvloedbaar, oorzaak is te beïnvloeden of niet
Fouten perceptie:
1. Fundamentele attributiefout: onderschatten invloed situatie
2. Zelfdienende vertekening: verschillende attributies voor falen en succes
3. Projectie: eigen emoties, gevoelens en gedachten toeschrijven aan ander
4. Halo-effect: een positieve eigenschap straalt uit naar gehele persoon
5. Horn-effect: een negatieve eigenschap straalt uit naar gehele persoon
6. Contrast-effect: Interpretatie van gedrag ten opzichte van wat je daarvoor ervaren hebt
Week 2
Attitude: een sterke en stabiele manier, waarop iemand denkt, zich voelt, geneigd is zich te gedragen
ten opzichte van iets of iemand.
3 aspecten:
1. Cognitief
2. Gevoel
3. Handeling
Cognitieve dissonantie: een spanning die je ervaart als de aspecten van je attitude strijdig zijn met elkaar
en verschillende attitudes kunnen niet met elkaar in overeenstemming worden gebracht.
Attitudes zijn aangeleerd.
, Attitudeverandering:
1. Nadelen verkleinen
2. Voordelen vergroten
3. Nieuwe voordelen bedenken
4. Belangrijke mensen inschakelen
Emotie: een reactie op een gebeurtenis die jouw belang raakt.
4 aspecten:
1. Lichamelijk
2. Cognitief
3. Subjectief
4. Gedrag
Emotie zet aan tot actie. (Fight, Flight, Fright)
In psychologie niet hoeveelheid motivatie, maar soorten motivatie. (Tekenen waarom je iets doet)
Motivatie: motief, beweegreden, drijfveer: een aanzet tot (het nalaten van) gedrag.
Intrinsiek - extrinsieke motivatie: uit jezelf of van buitenaf
Autonome - gecontroleerde motivatie: voor je plezier en uit interesse of voldoen aan verwachtingen.
SDT: psychologische basisbehoeften zelfdeterminatietheorie
Intrinsieke motivatie belangrijk
Uitgangspunt: natuurlijke drang tot het ontdekken en ontwikkelen van mindset
Basisbehoeften:
1. Relatie: word ik gezien, hoor ik erbij?
2. Autonomie: kan ik invloed uitoefenen (Iemand zelf keuzes laten maken)
3. Competentie: kan ik trots zijn, geloof ik in mijn eigen kunnen (niet te moeilijk en niet te
makkelijk)
Motivatie en uitstelgedrag
Belemmerende overtuigingen: Faalangst/vrees voor succes
Zelfcontrole: mate waarin je korte termijn behoeften opzij kan zetten om lange termijn doelen te halen.
Motivatie en doelen stellen