Samenvatting - Hoofdstuk 2:Diagnostisch besluit: wat is er aan de hand?
Boek: Klinisch redeneren en evidence-based practice
Blz. 59 t/m 72
2.1 – Wat is een diagnose?
In een diagnose wordt de toestand van de patiënt in enkele woorden weergegeven. –
Het is een antwoord op de vraag: wat is er aan de hand?
2.2 – Wat is een diagnostische redeneren?
Diagnostisch redeneren is een vorm van klinisch redeneren.
Doel: De toestand van de patiënt in te schatten en een antwoord te geven op de
vraag wat er aan de hand is.
De verzamelde informatie koppelt de verpleegkundige via een diagnostisch
denkschema van standaardvragen aan haar vakkennis.
Diagnostische redeneren – klinisch redeneren om de juiste diagnose of het juiste
gezondheidsprobleem vast te stellen.
2.3 – Hoe wordt het gezondheidsprobleem, de aanwijzingen en de verschijnselen in de
diagnose verwerkt?
Diagnose bestaat meestal uit drie elementen:
1. Het gezondheidsprobleem
2. De kenmerken aanwijzingen en verschijnselen van het gezondheidsprobleem.
3. De oorzaken en gerelateerde factoren voor dat gezondheidsprobleem.
2.4 – Wanneer moet ik diagnostisch redeneren?
Monitoren – het in de gaten houden van de patiënt.
Participatief handelen – de verpleegkundige participeert dan in een behandeling
waarvoor een andere professional (bijvoorbeeld arts) primair verantwoordelijk is.
2.5 – Hoe kom ik aan een diagnose?
Achtergrondinformatie – informatie die je leert via de opleiding.
Voorgrondinformatie – informatie die verkregen is door wetenschappelijk onderzoek.
Werkingsmechanismen – Manier waarop de interventie bij de patiënt de gewenste
verandering tot stand brengt.
2.6 – Hoe kom ik achter de symptomen van een patiënt?
In een anamnese gesprek worden klachten, gezondheidsproblemen en de beleving
ervan door de patiënt systematisch in kaart gebracht en geanalyseerd.
Autonoom handelen – het zelfstandig nemen van besluiten en daarop handelen,
waarop zij zelf primair (als eerste en zelfstandig) verantwoordelijk voor is.
Heteroanamnese – als de anamnese wordt afgenomen met een ander persoon dan
met de patiënt zelf.
2.7 – Hoe kan ik de ernst en het belang van de symptomen inschatten?
EWS – early warning symptoms
MEWS – modified early warning symptoms - samenstelling van metingen en
observaties.
Boek: Klinisch redeneren en evidence-based practice
Blz. 59 t/m 72
2.1 – Wat is een diagnose?
In een diagnose wordt de toestand van de patiënt in enkele woorden weergegeven. –
Het is een antwoord op de vraag: wat is er aan de hand?
2.2 – Wat is een diagnostische redeneren?
Diagnostisch redeneren is een vorm van klinisch redeneren.
Doel: De toestand van de patiënt in te schatten en een antwoord te geven op de
vraag wat er aan de hand is.
De verzamelde informatie koppelt de verpleegkundige via een diagnostisch
denkschema van standaardvragen aan haar vakkennis.
Diagnostische redeneren – klinisch redeneren om de juiste diagnose of het juiste
gezondheidsprobleem vast te stellen.
2.3 – Hoe wordt het gezondheidsprobleem, de aanwijzingen en de verschijnselen in de
diagnose verwerkt?
Diagnose bestaat meestal uit drie elementen:
1. Het gezondheidsprobleem
2. De kenmerken aanwijzingen en verschijnselen van het gezondheidsprobleem.
3. De oorzaken en gerelateerde factoren voor dat gezondheidsprobleem.
2.4 – Wanneer moet ik diagnostisch redeneren?
Monitoren – het in de gaten houden van de patiënt.
Participatief handelen – de verpleegkundige participeert dan in een behandeling
waarvoor een andere professional (bijvoorbeeld arts) primair verantwoordelijk is.
2.5 – Hoe kom ik aan een diagnose?
Achtergrondinformatie – informatie die je leert via de opleiding.
Voorgrondinformatie – informatie die verkregen is door wetenschappelijk onderzoek.
Werkingsmechanismen – Manier waarop de interventie bij de patiënt de gewenste
verandering tot stand brengt.
2.6 – Hoe kom ik achter de symptomen van een patiënt?
In een anamnese gesprek worden klachten, gezondheidsproblemen en de beleving
ervan door de patiënt systematisch in kaart gebracht en geanalyseerd.
Autonoom handelen – het zelfstandig nemen van besluiten en daarop handelen,
waarop zij zelf primair (als eerste en zelfstandig) verantwoordelijk voor is.
Heteroanamnese – als de anamnese wordt afgenomen met een ander persoon dan
met de patiënt zelf.
2.7 – Hoe kan ik de ernst en het belang van de symptomen inschatten?
EWS – early warning symptoms
MEWS – modified early warning symptoms - samenstelling van metingen en
observaties.