RR (Riva-Rocci). In vb. RR=150/85 mm Hg. De systolische druk (bovendruk) is
150 mm Hg en de diastolische druk (onderdruk) is 85 mm Hg.
Normaal: RR=120/80 mm Hg.
AV-kleppen Artioventriculaire kleppen: tricuspidalisklep en mitralisklep.
SL-kleppen Slagaderkleppen: pulmonalisklep en aortaklep.
Diastole - Aortaklep gesloten. Opening naar de coronaire arteriën s zijn
open.
- Myocard ontspannen, coronaire capillairen open.
- Doorbloeding van coronaire arteriën is afhankelijk van (1) duur
van de diastole, (2) drukgradiënt tussen aorta en rechter atrium.
Systole - Aortaklep sluit kransslagaders af.
- Myocard gecontraheerd, waardoor de cappilairen dichtgedrukt
worden -> geen doorbloeding van de coronaire arteriën.
LDL Lagedichtheidslipoproteïne. Dit zijn deeltjes in het bloed die cholesterol
vanuit de lever naar andere delen van het lichaam transporteren. Een
hoge LDL is een risicofactor voor hart- en vaatziekten.
TC/HDL-ratio Totale cholesterol/HDL ratio. HDL transporteert cholesterol naar de lever
waar het afgebroken kan worden.
eGFR MDRD Estimated glomerulaire filtratie snelheid berekend volgens de MDRD
(modification of diet in renal disease)-formule op basis van
bloedkreatine, geslacht, leeftijd en ras. Estimated (= geschat via het
bloed). eGFR MDRD is een schatting voor de nierfunctie.
Beperkingen: Deze formule is niet geschikt voor schattingen van GFR bij kinderen en
wordt tevens beïnvloed door secretie veranderingen door medicatie of dieet. Tevens is de
MDRD formule onvoldoende gevalideerd bij personen met sterk afwijkende spiermassa of
onverwachte afwijkingen in de serumalbumine- of ureumconcentraties.
Hypertensie Chronisch verhoogde bloeddruk. Constante systolische druk >140 mm Hg
of diastolische druk >90 mm Hg.
Gevolgen:
- Myocard vergroot zich (weerstand is groter) -> het hart spant
zich in buiten zijn capaciteit -> verzwakt hart en de wand wordt
slap.
- Schade aan arteriën
- Versnelt atherosclerose.
- Nierschade
- Aantasting retinacellen (oog)
1. Hypertensie
Primaire hypertensie=essentiële hypertensie -> geen directe oorzaak aan te wijzen. Risicofactoren:
erfelijkheid, voeding, leeftijd, diabetes mellitus, stress, roken (Nicotine veroorzaakt vasoconstrictie, door
postganglionaire sympathische neurons direct te stimuleren en door stimulatie van afgifte van grote hoeveelheden adrenaline en
noradrenaline. Chemicaliën in sigarettenrook, beschadigen daarnaast de tunica intima, waardoor het vermogen om de arteriolaire
diameter te reguleren, verstoord wordt.)
Symptomen: chronische hypertensie 10-20 jaar asymptomatisch.
, 2. RAAS (renine-angiotensine-aldosteronsysteem)=regulatie bloedvolume
Belangrijkste mechanisme om bloeddruk te verhogen. Zonder voldoende hoge bloeddruk is
glomerulaire filtratie niet mogelijk. Lage bloeddruk triggert granulaire cellen van de juxtaglomerulaire
complex om renine af te geven. Dit wordt op 3 manieren gereguleerd:
1. Sympathische zenuwstelsel: deel van de baroreceptorreflex, renale sympathische zenuwen activeren
ẞ1-adrenoreceptoren, waardoor granulaire cellen renine afgeven.
2. Geactiveerde macula densa cellen: Lage bloeddruk of vasoconstrictie van de affarente arteriolen door
het sympathisch zenuwstelsel, verlaagt GFR. Macula densa cellen nemen een lage concentratie NaCl
waar door de trage stroomsnelheid van het filtraat. -> ATP en/of prostaglandine PGE2 afgifte,
waardoor granulaire cellen renine afgeven.
3. Verminderde rek: Granulaire cellen zijn mechanoreceptoren -> verminderde spanning op het
plasmamembraan van de granulaire cellen -> stimulatie renine afgifte.
Renine is een enzym en splitst angiotensinogeen (plasma-eiwit, gemaakt in de lever), waardoor
angiotensine I ontstaat. Angiotensine converting enzyme (ACE) converteert angiotensine I tot
angiotensine II. ACE bevindt zich in capillair endotheel in verschillende lichaamsweefsels, vooral in de
longen (daar bevinden zich veel bloedvaten). Angiotensine II stabiliseert de arteriële bloeddruk en
extracellulair vloeistof volume op 4 manieren:
- Angiotensine II stimuleert de bijnierschors om aldosteron uit te scheiden. Aldesteron bindt op de
mineralocorticosteroïd receptor op het distale deel van de tubulus en initieert transcriptie en
translatie van bepaalde eiwitten, wat resulteert in een verhoogde expressie van het aantal
natriumkanalen in het apicale membraan van de tubulus cel en een verhoogde expressie van Na+/K+-
ATPasen op het basolaterale membraan van de tubulus cel. Hierdoor wordt de reabsorptie van
natrium verhoogd en verlaat er geen/klein beetje natrium het lichaam via de urine. Bij aanwezigheid
van aquaporines volgt water de natriumstroom -> groter bloedvolume. Aldosteron verlaagt
kaliumconcentratie als gevolg van Na+/K+-ATPasen. -> reabsorptie natrium in de nieren.
Aldosteron bevordert fibrosering van het hart.
- Angiotensine II prikkelt de posteriore hypofyse om ADH af te geven. ADH= anti-diuretisch hormoon
(=vasopressine). Antidiuretisch hormoon (ADH), wordt afgegeven door de hypofyse en grijpt aan op
V2-receptoren in het basolaterale membraan van de cel in de verzamelbuis van nefronen en distale
tubulus. V2-receptor is een GPCR -> stimuleert adenyl cyclase -> verhoogde expressie van waterporiën
in het apicale membraan -> apicale membraan beter permeabel voor water -> passieve heropname
van water in hyperosmotische gebied van het niermerg -> uitscheiding van geconcentreerd urine.
Daarnaast tijdelijke stijging Na+ heropname in distale tubulus.
- Angiotensine II activeert het ‘dorst’ centrum in de hypothalamus, waardoor waterconsumptie
gestimuleerd wordt -> herstel van bloedvolume en dus bloeddruk.
- Antiogtensine II is een potente vasoconstrictor en bindt op type 1 angiotensine II receptoren op de
bloedvaten -> verhoogt bloeddruk door het verhogen van perifere weerstand.