Kennis van gedrag:
Gedrag is alles wat dieren of mensen doen of laten. Gedragsonderzoekers kijken naar
reacties van dieren in verschillende situaties.
Gedrag past zich aan de leefomstandigheden aan. Een goed begrip van de relatie tussen
diergedrag en leefomstandigheden maakt het mogelijk de omgang met de dieren te verbeteren
en hun welzijn te bevorderen.
Ontstaan van gedrag:
Paringsgedrag volgt een vast patroon en wordt beïnvloed door zowel inwendige (hormonen,
honger, dorst) als uitwendige prikkels (zien, horen, ruiken, voelen). Deze combinatie van
prikkels (ookwel motiverende factoren) verhoogt de motivatie.
Dit is de bereidheid om een bepaald gedrag uit te voeren.
Zodra de motivatie de drempelwaarde bereikt, wordt het gedrag uitgevoerd.
Dit is een bepaald niveau van motivatie dat veroorzaakt wordt door een of meer
prikkels en resulteert in een specifieke respons.
Opbouw van gedrag:
Binnen elk gedrag zijn met elkaar samenhangende onderdelen te onderscheiden:
gedragssystemen. Elk gedragssysteem is op te splitsen in aparte eenheden:
gedragselementen die vaak in een vaste volgorde voorkomen. Zo’n vaste volgorde van
gedragselementen is een gedragsketen.
Natuurlijk gedrag en welzijn:
Elk type natuurlijk gedrag heeft een bepaalde functie voor het dier: overleven van de soort
(voortplanten) & overleven van het individu (voedsel zoeken, eten, drinken, beschutting
zoeken).
In gevangenschap verdwijnt vaak een deel van dit natuurlijk gedrag. Onderzoekers gaan
ervan uit, dat het dierenwelzijn groter is wanneer ze hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen.
Daarbij hoort ook sociaal gedrag, gedrag gericht op het leven in een groep.
In Nederland bestaat wetgeving die erop gericht is, dat landbouwhuisdieren natuurlijk
gedrag kunnen vertonen. Er is veel verbeterd: Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit
(NVWA) controleert veetransporten, verzamelcentra en slachterijen. De Landelijke
inspectiedienst Dierenbescherming let op het dierenwelzijn (gewicht, gedrag, huisvesting,
verzorging)
,H1.2: Gedrag besturen
Diergedrag vastleggen:
Een ethogram is een lijst met objectief en nauwkeurig beschreven gedragselementen. Hoe
vaak deze gedragselementen in een bepaalde tijd voorkomen, kun je in een protocol
weergeven.
Gedragsonderzoek is objectief, zonder vooronderstellingen. Het is incorrect om in een
onderzoek te zeggen dat een olifant boos met zijn oren wappert. Dat is immers een
subjectieve omschrijving gebaseerd op menselijke emoties. Dit noemen we ookwel
antropomorf.
Ethologie is de tak van de wetenschap die onderzoek doet naar diergedrag. Dit onderzoek kan
beschrijvend zijn (er wordt niets aangepast aan de situatie), maar ook experimenteel (er
wordt iets aan de situatie veranderd om te kijken wat er met het gedrag gebeurt)
Een voorspelbare respons:
Olifanten eten veel acaciatakken. Zit er in de boom echter een
bijennest en horen ze het gezoem van een bij, dan lopen ze
onmiddellijk weg. Een dergelijke essentiële prikkel, waarop
altijd hetzelfde gedrag volgt, heet een sleutelprikkel. Een
versterkte sleutelprikkel noemen we een supernormale
prikkel.
De Nederlandse etholoog Tinbergen deed onderzoek naar deze
prikkels en gebruikte daarbij jonge meeuwen. Hij ontdekte dat
jonge meeuwen reageren op de kleur stip op de snavel van hun
ouder. De normale rode vlek is de sleutelreactie voor het pikken. Een
geheel rode snavel zorgt voor een groter contrast en is dus een
supernormale prikkel (versterkte sleutelprikkel)
Dieren leren snel:
Een olifant komt ter wereld in een kudde. Wie hun moeder is leren de meeste zoogdieren in
een korte, gevoelige periode vlak na de geboorte. De moeder biedt namelijk veiligheid en
voeding. Een dergelijke vorm van leren in een gevoelige periode heet inprenting.
Dieren kunnen ook dingen snel leren zonder gevoelige periode. Bijvoorbeeld de reactie van
olifanten op bijen. Olifanten hebben de pijn van de bijensteek gekoppeld aan het zoemen van
de bij. Dit noemen we associatief leren: een bepaalde prikkel koppelen aan een andere
prikkel.
, H1.3: Communicatie
Communicatie met soortgenoten:
Elke diersoort heeft een bepaalde taal. Deze taal bestaat uit prikkels waarmee dieren het
gedrag van soortgenoten willen beïnvloeden, ook wel signalen. Andere soorten kunnen deze
signalen nauwelijks of niet begrijpen. Geluiden en geuren zijn voor bijen erg belangrijk.
Vaste patronen:
Bijen gebruiken de bijendans als communicatie om de plaats van een voedselbron door te
geven. De bij loopt naar boven (richting van de zon), de bij loopt naar beneden (tegengestelde
richting van de zon), De bij loopt schuin naar boven/beneden (hoek met de bovenkant gelijk
aan hoek van vliegrichting met de zon). Daarna kwispelt de speurbij met haar achterlijf,
iedere seconde trillen komt overeen met ongeveer een kilometer vliegen. Na het trillen loopt
ze snel een rondje en begint ze opnieuw (voedsel dichtbij, bij in cirkel), (voedsel ver weg, bij
in acht)
Deze bijendans is erg efficiënt. Alle dieren en mensen voeren hun gedrag namelijk zo
efficiënt mogelijk uit. Dit leidt tot vaste patronen. Als gedrag een symbolische betekenis
voor de soortgenoten krijgt, noemen we dat gedrag een ritueel. Rituelen zijn bij veel
diersoorten belangrijk bij ontmoetingen met soortgenoten. Ze zien of het een vriend of vijand
is en in welke rangorde het dier zit. Dit voorkomt onnodige gevechten.
Ritueel gedrag dat leidt tot paringsgedrag heet balts. Dit voorkomt dat individuen van
verschillende soorten met elkaar paren en vermindert de agressie die ontstaat als de dieren erg
dicht op elkaar komen. Baltsgedrag is de perfecte manier om aan te tonen dat je een goede
partner bent: nesten bouwen, dreiggedrag (om jongen en nest te beschermen)
Gedrag na tegenstrijdige prikkels:
Mensen en dieren reageren niet op elke prikkel, maar soms vragen meerdere tegenstrijdige
prikkels tegelijk om een reactie. Dan ontstaat conflictgedrag. Conflictgedrag treedt op
wanneer een dier of mens prikkels ontvangt die leiden tot twee typen gedrag. Er zijn drie
soorten conflictgedrag:
1. Ambivalent gedrag: Gedragssystemen van twee typen gedrag wisselen elkaar
af (er is een bepaalde aarzeling/twijfel)
2. Omgericht gedrag: Door innerlijk conflict ontstaat agressief gedrag dat zich
uit op iets dat er niets mee te maken heeft.
3. Overspronggedrag: Dit gedrag past niet in de situatie (onverwacht gedrag)