KC’s: Bloeddruk en hypertensie
Bloeddruk en bloeddrukregulatie
• Bloeddruk: de druk die in een bloedvat heerst als gevolg van de pompwerking van het hart:
• MAP = q × R
o MAP = mean arterial pressure (gemiddelde bloeddruk)
o q = cardiac output (hartminuutvolume)
o R = totale perifere weerstand
§ Vooral bepaald door weerstand in vaten (arteriële kant).
• De bloeddruk is afhankelijk van 5 basisvariabelen:
o Hartfrequentie
o Contractiliteit v/h hart
o Compliantie v/d bloedvaten (vooral veneus)
o Vaatweerstand (vooral arterieel)
o Bloedvolume
• De neurohumorale sturing (= de mate v activiteit v/d (para)sympathicus en andere hormonen):
o Bepaalt hoe de hart- en vaatfunctiecurves lopen.
o Bepaalt hoe de 5 basisvariabelen staan afgesteld.
Neurohumorale regulaties die de bloeddruk beïnvloeden
Je kunt de 5 basisvariabelen beïnvloeden, met als gevolg verandering v/d MAP.
• Korte-termijn regulaties: reflexen, die via neuronen of zenuwen gereguleerd zijn; treden op binnen enkele seconden.
o Baroreceptorreflex
o Cardiopulmonale reflex
o Chemoreflex
o Ischemische reacties CZS
• Middellange termijn regulaties: via hormonen; treden op binnen enkele minuten, kan uren duren voordat nieuw
evenwicht is bereikt.
• Lange termijn regulaties: via nieren; duurt 2-3 dagen voordat nieuw evenwicht is bereikt.
De meeste van deze regulaties zijn er in eerste instantie op gericht dat de MAP op peil gehouden wordt.
Bloeddruk ↓ = teken dat bloedvoorziening niet op peil is à kans dat organen zonder O2 en voedingsstoffen komen à bloeddruk
wordt op peil gehouden. Zelfde geldt bij bloeddruk ↑.
Korte-termijn regulaties (baroreceptorreflex)
De baroreceptorreflex (BRR)
Bij reflex: Sensoren (of receptoren) geven via afferente weg info door aan het regelcentrum à in
regelcentrum wordt info vergeleken met setpoint à bij afwijking worden efferente (output)
signalen verstuurd naar effectororgaan.
• Sensoren/receptoren (mate v rek doorgegeven aan regelcentrum): reksensoren
(barosensoren) in de hogedrukgebieden van de circulatie (à ze meten de mate v rek)
o Sinus caroticus
o Aortaboog (bloed stroomt in hart vanuit linker ventrikel naar aorta)
• Afferenten: geven info (mate v rek) via zenuwen door aan regelcentrum
(hersenstam/medulla oblongata)
1
, o Sinus caroticus: nervus glossofaryngeus (N. IX à 9e hersenzenuw)
o Aortaboog: nervus vagus (N. X à 10e hersenzenuw)
• Regelcentrum: Nucleus Tractus Solitarius (NTS)
o Informatie van N. IX en N. X komen samen in NTS in de hersenstam à staat in contact met andere kernen à
reguleren samen de bloeddruk.
• Efferenten: signalen worden uitgestuurd vanuit de NTS via aftakkingen van de
o Parasympathicus (PS)
o (Ortho)sympathicus (OS)
§ Stuurt preganglionaire neuronen aan, die vervolgens naar het hart gaan.
• Effectororganen: signalen gaan vanuit PS en OS nr effectoren.
o Hart
o Vaten
Effecten baroreceptorreflex op het hart bij bloeddruk ↓ (waardoor cardio-output al deels omhoog gaat)
• Activiteit PS ↓
o Hartfrequentie ↑
§ Normaal heeft PS remmend effect op hartfrequentie, maar effect valt nu weg.
§ Remmend effect ontstaat door binding v acetylcholine (ACh) aan muscarine-2-receptoren (M2)
• Remming PS à minder Ach afgegeven à minder activiteit in M2-receptoren.
o Contractiliteit atria ↑
§ Ook hier neurotransmitter Ach en receptor M2 (op hartspiercellen in atria).
• Activiteit OS ↑
o Hartfrequentie ↑
§ Postganglionaire neuronen vd PS geven noradrenaline (NA) af à NA bindt aan β-1 receptoren op de
pacemaker-cellen in de sinusknoop.
o Contractiliteit atria en ventrikels ↑
§ β-1 receptoren zitten ook op alle hartspiercellen (atria + ventrikels) à worden gestimuleerd à
stroomt meer Ca2+ in de cellen à hartspiercellen trekken sterker samen.
Effecten baroreflex op het vaatstelsel bij bloeddrukdaling
(normaal gesproken innerveert OS nauwelijks de bloedvaten, maar 1 uitzondering)
• Activiteit PS ↓:
o Ra genitaliën ↑ (Ra = arteriële weerstand)
§ Stimulatie vd bloedvaten in externe genitaliën in de neus:
¨ Normaal zorgt PS-activiteit voor vasodilatatie (verwijding v bloedvaten) à valt nu weg, dus
nu vasoconstrictie (vernauwing v bloedvaten) à diameter nauwer, dus weerstand ↑.
• Activiteit OS ↑
o Zorgt in het algemeen voor vasoconstrictie (vernauwing bloedvaten), behalve in bloedvaten v actieve spieren.
o Ra1 werkende skeletspieren ↓
§ Als werkende (actieve) skeletspieren worden gestimuleerd door OS, zorgt activiteit v 𝛽2-receptoren
voor vasodilatatie à daling weerstand.
o Ra overig ↑
§ OS-activiteit zorgt voor activatie 𝛼1-receptoren à vasoconstrictie in overige arteriën.
o Veneuze compliantie (Cv) ↓
§ Compliantie = hoe makkelijk vaten oprekken o.i.v. bepaalde druk.
1
Ra = arteriële weerstand
2