Hoorcolleges blok A
Hoorcollege 1 klinisch redeneren bij CNA (onderzoek & behandeling)
Wat is er ‘anders’ bij een CNA patiënt?
o Altijd rode vlaggen bij DTF dus een verwijzing nodig
o Er is heel veel te zien! Complex beweegprobleem
Wat, hoe & waarom?
Wat: anamnese
Hoe: observatie
Waarom: hypothesen + onderzoeksplan & uitvoering + onderzoeksresultaten (RPS) & relaties
Wat? – activiteit (hulpvraag) specificeren
Anamnese
Introductie
Reden van komst
Hulpvraag verhelderen
CEGS
Samenvatten/afronden + vervolg onderzoek
Hoe? – observatie (praktijk)
O.b.v. gespecificeerde hulpvraag observeren activiteit (problematische handeling)
Kijk altijd eerst algemeen/globaal en vervolgens specifiek:
1. Algemeen/globaal observeren
Bijvoorbeeld:
- wat valt het meeste op?
- lukt het en is het veilig?
- met of zonder hulp(middelen)?
- kost het moeite?
- hoe snel of langzaam gaat het?
2. Specifiek observeren
Bijvoorbeeld:
- hoe verlopen de start-, midden- en eindfase?
- wat zijn de bewegingen van hoofd/romp/extremiteiten?
- wat zie je van het lichaamszwaartepunt & steunvlak?
- hoe verlopen de deelbewegingen?
- hoe groot zijn de amplitudes van de bewegingen (grote of kleine bewegingen)?
Waarom? – hypothesevorming
Na het bekijken en analyseren van activiteiten worden die specifieke neurologische functies nader
onderzocht waarvan het vermoeden bestaat dat ze de uitvoering van de activiteit negatief
beïnvloeden.
DUS:
Waarom wordt de activiteit op deze manier uitgevoerd?
Activiteit stoornis(sen) in functies (sensomotorisch) en/of persoonlijke-/omgevingsfactoren?
Mogelijke functiestoornissen bij CNA
- neurologische sensomotorische functiestoornissen (4 S-en):
o Spierkracht (‘sterkte’)
o Sturing (selectiviteit, coördinatie, motorische controle, stabiliteit)
, o Spiertonus (hyper-/hypotonie, slapte, spasme, rigiditeit, paratonie)
o Sensibiliteit (vitaal-gnostisch en proprioceptief)
Overige relevante functiestoornissen
o Artrogene/myogene mobiliteitsbeperking (P/A)ROM
o Visueel
o (motorische) planning
o Spraak-taal/begrip/emotie
o Leer capaciteit
o Uithoudingsvermogen
Klinimetrie
Doel = objectief in kaart brengen problematische handeling/activiteit en eventueel onderliggende
functiestoornissen
Klinimetrie kan op 3 manieren worden ingezet: Prognostisch, diagnostisch en evaluatief
Fysiotherapeutische diagnose
Bevat in elk geval de volgende onderdelen:
Functioneringsproblemen van de patiënt in termen van activiteit, participatie en stoornissen
Beloop
Wijze van omgang met het functioneringsprobleem
Hulpvraag en de relevante behandelbare grootheden
Indicatie voor fysiotherapie
Verwacht herstel
,Hoorcollege 2 inleiding neuropathologie
Grote hersenen
Hersenschors (cortex cerebri)
Basale kernen
Limbisch systeem
Tussenhersenen
Thalamus
Hypothalamus
Hypofyse
Kleine hersenen
Hersenstam
Het uitvoerende gedeelte van de cortex noemen we -> primaire motorische schors
Centrale zenuwstelsel (CZS)
Centraal Motorisch Neuron (CMN)
- Cortex cerebri / hersenschors
Perifeer Motorisch Neuron (PMN)
- Medulla spinalis / ruggenmerg
Tractus corticospinalis -> piramidebaan van cortex direct naar ruggenmerg (interneuronen)
Lateralis: 85% gekruist, naar heup, schouder en extremiteiten (10% direct naar de hand)
Anterior: 15% ongekruist, naar axiale spieren (nek en romp)
Overige banen uit hersenstam/basale kernen ongekruist en indirect naar axiale spieren.
Terugkoppeling
- Bijsturing via somatosensorische cortex (S1)
o Feedback
- Bijsturing via cerebellum
o Feedback: vergelijkt instructies met effect (langzaam)
o Feedforward: onderschept instructies en stelt bij op basis van verwachting (snel)
Cortex cerebri
Spierkracht
- parese
- paralyse
- distaal > proximaal
- fijne motoriek > grove motoriek
- romp relatief gespaard
, Sensibiliteit
- homunculus (gekruist)
- distaal > proximaal
- min symptomen (uitvalsverschijnselen)
Spiertonus
- hypotonie (slappe parese)
- spasticiteit (spastische parese)
Spasticiteit:
o Reflexactiviteit (in rust)
o Versterkt bij verhoogde activatie en beweging
o Antizwaartekrachtspieren (flexie arm / extensie been)
o Knipmes
o Synergievorming (patroon gekoppeld aan beweging)
Sturing
- ontremming reflexen ruggenmerg
o Pathologische of primitieve reflexen
- verminderde sturing
o Combinatie kracht, tonus en reflexen (selectiviteit)
o Fijne motoriek (tractus corticospinalis)
Ruggenmerg
Spierkracht en sensibiliteit
- Volledig of gedeeltelijk
- Op en onder niveau laesie:
o Spierkracht: parese/paralyse
o Sensibiliteit: plus en min
Spiertonus en sturing
- hypotonie & hyporeflexie (slappe parese)
o Uitval sturing vanuit cortex
- secundair hypertonie & hyperreflexie
o Geen inhibitie uit cortex
o Geen synergievorming
Basale kernen
Voornamelijk aan de motorische kant.
Extrapiramidaal systeem
Motorische functies ‘apart’ van piramidebaan
- Basale kernen
- Afdalende banen uit hersenstam
(bulbospinale banen)
Paleoniveau: onder systeem, vroeg ontwikkeld
- Centrale positie motoriek
o Invloed op hersenstam en ruggenmerg (houding/tonus)
o Invloed op motorische cortex (initiatie, planning en programmering)
Hoorcollege 1 klinisch redeneren bij CNA (onderzoek & behandeling)
Wat is er ‘anders’ bij een CNA patiënt?
o Altijd rode vlaggen bij DTF dus een verwijzing nodig
o Er is heel veel te zien! Complex beweegprobleem
Wat, hoe & waarom?
Wat: anamnese
Hoe: observatie
Waarom: hypothesen + onderzoeksplan & uitvoering + onderzoeksresultaten (RPS) & relaties
Wat? – activiteit (hulpvraag) specificeren
Anamnese
Introductie
Reden van komst
Hulpvraag verhelderen
CEGS
Samenvatten/afronden + vervolg onderzoek
Hoe? – observatie (praktijk)
O.b.v. gespecificeerde hulpvraag observeren activiteit (problematische handeling)
Kijk altijd eerst algemeen/globaal en vervolgens specifiek:
1. Algemeen/globaal observeren
Bijvoorbeeld:
- wat valt het meeste op?
- lukt het en is het veilig?
- met of zonder hulp(middelen)?
- kost het moeite?
- hoe snel of langzaam gaat het?
2. Specifiek observeren
Bijvoorbeeld:
- hoe verlopen de start-, midden- en eindfase?
- wat zijn de bewegingen van hoofd/romp/extremiteiten?
- wat zie je van het lichaamszwaartepunt & steunvlak?
- hoe verlopen de deelbewegingen?
- hoe groot zijn de amplitudes van de bewegingen (grote of kleine bewegingen)?
Waarom? – hypothesevorming
Na het bekijken en analyseren van activiteiten worden die specifieke neurologische functies nader
onderzocht waarvan het vermoeden bestaat dat ze de uitvoering van de activiteit negatief
beïnvloeden.
DUS:
Waarom wordt de activiteit op deze manier uitgevoerd?
Activiteit stoornis(sen) in functies (sensomotorisch) en/of persoonlijke-/omgevingsfactoren?
Mogelijke functiestoornissen bij CNA
- neurologische sensomotorische functiestoornissen (4 S-en):
o Spierkracht (‘sterkte’)
o Sturing (selectiviteit, coördinatie, motorische controle, stabiliteit)
, o Spiertonus (hyper-/hypotonie, slapte, spasme, rigiditeit, paratonie)
o Sensibiliteit (vitaal-gnostisch en proprioceptief)
Overige relevante functiestoornissen
o Artrogene/myogene mobiliteitsbeperking (P/A)ROM
o Visueel
o (motorische) planning
o Spraak-taal/begrip/emotie
o Leer capaciteit
o Uithoudingsvermogen
Klinimetrie
Doel = objectief in kaart brengen problematische handeling/activiteit en eventueel onderliggende
functiestoornissen
Klinimetrie kan op 3 manieren worden ingezet: Prognostisch, diagnostisch en evaluatief
Fysiotherapeutische diagnose
Bevat in elk geval de volgende onderdelen:
Functioneringsproblemen van de patiënt in termen van activiteit, participatie en stoornissen
Beloop
Wijze van omgang met het functioneringsprobleem
Hulpvraag en de relevante behandelbare grootheden
Indicatie voor fysiotherapie
Verwacht herstel
,Hoorcollege 2 inleiding neuropathologie
Grote hersenen
Hersenschors (cortex cerebri)
Basale kernen
Limbisch systeem
Tussenhersenen
Thalamus
Hypothalamus
Hypofyse
Kleine hersenen
Hersenstam
Het uitvoerende gedeelte van de cortex noemen we -> primaire motorische schors
Centrale zenuwstelsel (CZS)
Centraal Motorisch Neuron (CMN)
- Cortex cerebri / hersenschors
Perifeer Motorisch Neuron (PMN)
- Medulla spinalis / ruggenmerg
Tractus corticospinalis -> piramidebaan van cortex direct naar ruggenmerg (interneuronen)
Lateralis: 85% gekruist, naar heup, schouder en extremiteiten (10% direct naar de hand)
Anterior: 15% ongekruist, naar axiale spieren (nek en romp)
Overige banen uit hersenstam/basale kernen ongekruist en indirect naar axiale spieren.
Terugkoppeling
- Bijsturing via somatosensorische cortex (S1)
o Feedback
- Bijsturing via cerebellum
o Feedback: vergelijkt instructies met effect (langzaam)
o Feedforward: onderschept instructies en stelt bij op basis van verwachting (snel)
Cortex cerebri
Spierkracht
- parese
- paralyse
- distaal > proximaal
- fijne motoriek > grove motoriek
- romp relatief gespaard
, Sensibiliteit
- homunculus (gekruist)
- distaal > proximaal
- min symptomen (uitvalsverschijnselen)
Spiertonus
- hypotonie (slappe parese)
- spasticiteit (spastische parese)
Spasticiteit:
o Reflexactiviteit (in rust)
o Versterkt bij verhoogde activatie en beweging
o Antizwaartekrachtspieren (flexie arm / extensie been)
o Knipmes
o Synergievorming (patroon gekoppeld aan beweging)
Sturing
- ontremming reflexen ruggenmerg
o Pathologische of primitieve reflexen
- verminderde sturing
o Combinatie kracht, tonus en reflexen (selectiviteit)
o Fijne motoriek (tractus corticospinalis)
Ruggenmerg
Spierkracht en sensibiliteit
- Volledig of gedeeltelijk
- Op en onder niveau laesie:
o Spierkracht: parese/paralyse
o Sensibiliteit: plus en min
Spiertonus en sturing
- hypotonie & hyporeflexie (slappe parese)
o Uitval sturing vanuit cortex
- secundair hypertonie & hyperreflexie
o Geen inhibitie uit cortex
o Geen synergievorming
Basale kernen
Voornamelijk aan de motorische kant.
Extrapiramidaal systeem
Motorische functies ‘apart’ van piramidebaan
- Basale kernen
- Afdalende banen uit hersenstam
(bulbospinale banen)
Paleoniveau: onder systeem, vroeg ontwikkeld
- Centrale positie motoriek
o Invloed op hersenstam en ruggenmerg (houding/tonus)
o Invloed op motorische cortex (initiatie, planning en programmering)