Art. 263 VWEU biedt maakt onderscheid
tussen drie typen beroepsgerechtigde in de
tweede tot en met de vierde alinea:
Uit de tweede alinea kan worden
opgemaakt dat de lidstaten, het EU
parlement, De Raad en de
Commissie een onbegrensd recht
hebben om het beroep in te stellen. Zij
Art. 263 VWEU maakt duidelijk tegen welke
zijn altijd ontvankelijk in hun beroep,
dat wil zeggen dat het Hof altijd hun handelingen (van een an de EU instellingen)
een beroep kan worden ingesteld bij het Hof:
Art. 19 VEU maakt duidelijk wie beroep in behandeling moet nemen.
verantwoordelijk is voor rechtsbescherming Tot de 3 andere organen
en handhaving van het EU-recht; namelijk: (rekenkamer, ECB en Comite van de Het bepaalt dat het moet gaan om
Regio's) is de toegang tot het Hof bindende (rechts)handelingen, en niet
beperkter van aard. Zij moeten telkens aanbevelingen en adviezen.
het Hof en nationale rechters.
aantonen dat hun beroep gericht is De reden hiervoor is dat aanbevelingen
tegen handelingen die samenhangen en adviezen geen 'rechtsgevolgen ten
met hun 'prerogatieven'. aanzien van derden' beogen.
Natuurlijke of rechtspersonen, uit de
4de alinea blijkt dat deze personen aan
bepaalde
ontvankelijkheidsvoorwaarden moeten
voldoen en dus een procesbelang
moeten aantonen voordat het Hof zich
ook inhoudelijk over het beroep buigt.
(deze alinea onderscheidt drie situaties,
kijk p121 en onderstreep).
file:///Users/emir/Downloads/IEr H5.html 1/9
, 31-07-2023 15:28 IEr H5.html
De bevoegdheid en verplichting van de
nationale rechter om een prejudiciële vraag te
De consequenties van een schending (van het
stellen:
EU-recht door een lidstaat), art. 258 VWEU:
De hoofdregel dat lagere rechters niet
verplicht zijn om vragen te stellen kent een
De hoofdregel is, art. 267 VWEU, dat
Het Hof kan alleen vaststellen dat een belangrijke uitzondering:
de hoogste rechterlijke instantie (dus
lidstaat een verplichting niet is
niet alleen HR, maar ook ABRvS en
nagekomen.
etc) verplicht zijn om vragen over de Lagere rechters zijn namelijk gehouden
Het heeft niet de bevoegdheid om
uitleg van het EU-recht te stellen om te verwijzen wanneer zij twijfelen
nationale wetgeving, of wat voor
wanneer dat noodzakelijk is voor de aan de geldigheid van het EU-recht. Dit
nationale handelingen dan ook, nietig te
beslechting van het geding. besloot het Hof in Foto-Frost.
verklaren.
Lagere nationale rechters hebben Indien een nationale lagere rechter van
Ook kan het niet van de lidstaat een
slechts de mogelijkheid, maar geen mening is dat een rechtshandeling van
specifieke actie eisen. Het Hof
verplichting tot het stellen van vragen. de EU niet geldig is, dan kan hij deze
constateert dus slechts een schending.
Bepalend is echter de stadium van het niet zo maar zelf buiten toepassing
Een lidstaat kan kiezen op welke
geding. Art. 267 VWEU spreekt laten. Deze bevoegdheid heeft alleen
manier hij een einde maakt aan de
namelijk van een verplichting in geval het Hof.
schending. Hij moet dit zo snel
"de beslissingen volgens het nationale
mogelijk doen.
recht niet vatbaar zijn voor hoger
beroep".
file:///Users/emir/Downloads/IEr H5.html 2/9