§1 Macro- en microniveau
Macroniveau: alles wat je met je zintuigen kunt waarnemen (stofeigenschappen)
Microniveau: kleinste deeltjes waaruit een stof is opgebouwd (bouwstenen van stoffen)
De meeste stoffen bestaan uit moleculen en moleculen bestaan uit atomen.
Zuivere stof = bestaat uit allemaal dezelfde moleculen
De eigenschappen van een molecuul zijn anders dan die van de bijbehorende stof.
Moleculen hebben geen kookpunt (=macro) of kunnen zich niet in een bepaalde fase
(=waarneming op macroniveau) bevinden.
Stoffen komen in drie fasen voor: vast, vloeibaar en
gasvormig.
Vaste stoffen: moleculen zitten dicht op elkaar
gestapeld in een vast rooster en trillen op hun
plaats
Vloeibare stoffen: moleculen bewegen langs
elkaar
Gassen: moleculen bewegen ver uit elkaar
Model = vereenvoudigde weergave van de
werkelijkheid.
Simulatie = Bij nabootsen bepaald proces > kun je op computer de omstandigheden
aanpassen, je ziet direct het resultaat van de veranderde omstandigheden.
§ 2 Het periodieke systeem
Atomen = de bouwstenen van moleculen (twee of meer atomen vormen samen een
molecuul)
Element = molecuul bestaat uit 1 atoomsoort
Verbindingen = molecuul bestaat uit meerdere atoomsoorten
Beide termen kom je op macro- en microniveau tegen
Er zijn meer dan 110 atoomsoorten, hiermee kun je miljoenen verschillende moleculen
maken. Deze staan allemaal in het periodiek systeem (= overzicht alle symbolen van alle
atoomsoorten)
perioden = horizontale rijen
groepen = verticale kolommen (elementen met gelijke stofeigenschappen op macroniveau)
Groep 1: alkalimetalen
Groep 2: aardalkalimetalen
Groep 17: halogenen
Groep 18: edelgassen