Toetsen
Toets 1:
Hoofdstuk 3 t/m 3.4 (blz. 63 t/m 86)
Hoofdstuk 10 (blz. 323 t/m 393)
93 bladzijdes.
Hoofdstuk 3. De Leertheorie
3.1 Inleiding
Leren = als ervaringen nieuwe attitudes, gedragingen of gedragstendenties tot stand brengen,
of vermogen hiervoor creëren.
Verschil tussen geleerde (de nieuwe associaties en mogelijkheid ander gedrag dat ontstaan is)
en performantie is het uitvoeren van dat geleerde.
Leren heeft te maken met 3 kwalificaties:
- Rijping. Dat de ervaring plots of vanzelf opzet, maar dat er ontwikkeling doorlopen
moet zijn voor het toegepast kan worden, vb. is lopen (skelet moet eerst je lichaam
kunnen tillen).
- Omgekeerde rijping. Er zijn processen noodzakelijk om van ervaring te kunnen
profiteren. Deze komen nu niet op, of vallen weg, vb. is blind zijn.
- Duurzaamheid. Je ontleerd eigenlijk nooit, iets dooft uit, bij herconditionering komt
het dan weer sneller opnieuw tot stand.
We zijn geen tabula rasa waarop alles wat we ervaren een even grote impact heeft op ons,
erfelijkheid heeft enorme invloed, vb. bij intelligentie, seksuele voorkeur of neuroticisme.
Jong leren is makkelijker dan leren wanneer je oud bent (plasticiteit). Eerdere leerervaringen
hebben invloed op latere leerervaringen.
Ontleren kan eigenlijk niet – vervormen of iets aanpassen door latere ervaringen kan wel.
Denk hierbij aan assimilatie of accommodatie.
Groot leervermogen
Plus: hoe groter je leervermogen is, hoe makkelijker je je aan kan passen naar je omgeving en
je je omgeving aan kan passen naar je behoeftes.
Min: als je eenmaal iets verkeerd hebt geleerd kan je het niet makkelijk corrigeren.
Leerervaringen zijn (grotendeels) de grondslag aan het ontstaan en voortbestaan van
psychopathologie.
, Cognitieve gedragstherapie (CGT) speelt hierop in en is net als alle andere psychotherapieën
gefocust op corrigerende leerervaringen. Experimentele psychologie is de wetenschappelijke
basis van de psychotherapie voor CGT.
3.2 Drie leerparadigma’s
Er zijn drie leerparadigma’s:
- Effecten door blootstelling aan dezelfde prikkel (habituatie, sensitisatie, latente
inhibitie en niet associatief leren).
- Effecten door blootstelling aan twee stimuli (klassieke conditionering – associatief
leren).
- Effecten door blootstelling aan consequenties van gedrag (operante of instrumentele
conditionering – associatief leren).
Binnen de paradigma’s is er onderscheid tussen procedure, bevindingen en verklaringen voor
deze bevindingen.
Procedure: manipulaties uitgevoerd om de proefpersoon te confronteren met leersituatie.
Bevindingen: effecten van deze procedures.
Verklaringen: theorieën gebruikt om de bevinding te begrijpen.
3.3 Herhaalde blootstelling aan dezelfde prikkel
Vooral wanneer herhaaldelijk toegepast wordt heb je leereffecten. ‘Niet-contingente
prikkelaanbieding’ is het gevolg van herhaaldelijke blootstelling.
Voorbeelden:
1. Habituatie
2. Sensitisatie
3. Latente inhibitie (CS-pre-exposure)
4. US-pre-exposure
Bij dit niet associatieve leren horen verschillende typen van responsemetingen:
- Startle response (schrik): grove motorische reactie, vb. oogknipperreflex.
- Freezing (angst): vermijding en geconditioneerde onderdrukking, dus stoppen met het
gedrag.
- Auto-shaping of sign-tracking (positieve gemoedstoestand): toenadering tot een
prikkel.
- Oriëntatiereflex: het onderbreken van het gedrag om te kijken wat voor onbekende
prikkel getoond wordt.
Procedure van niet-contingente prikkelaanbieding: proefpersoon wordt paar keer blootgesteld
aan dezelfde stimulus en daarna kijk je naar de verandering van het gedrag. Intensiteit, duur
en type van de prikkel wisselt.
Voorbeelden:
- Habituatie bij startle response: intensieve prikkel op rustige achtergrond.
- Sensitisatie: herhaalde prikkel bij een drukke achtergrond.