Concept 15.1: Morgan showed that Mendelian inheritance
has its physical basis in the behavior of chromosomes
Morgan kwam met het bewijs dat chromosomen inderdaad de locatie van Mendel’s erfelijke factoren zijn.
Morgan’s Choice of Experimental Organism
Mendel koos voor het experimenteren met bonen, omdat er een aantal onderscheidbare factoren
beschikbaar waren. Morgan daarentegen koos ervoor om gebruik te maken van fruitvliegjes. Één paring
zorgt namelijk al voor meer dan 100 nakomelingen, waardoor er iedere 2 weken een nieuwe generatie kan
worden gevormd. Ook bezitten fruitvliegjes maar 4 paar chromosomen, welke makkelijk te onderscheiden
zijn (3 paar autosomen, 1 paar geslachtschromosomen).
Wild type Het fenotype van de eigenschap die het meest voorkomt in natuurlijke populaties
Mutant Alternatieven van het wild type
Morgan ontwikkelde een symboolschema voor fruitvliegjes. Voor een eigenschap van fruitvliegen, verkrijgt
het gen zijn symbool van de eerste mutant die is ontdekt. Het symbool voor het allel voor witte ogen bij
fruitvliegen is daarom w. Een + staat voor het allel van de eigenschap van het wild type – w+ staat voor het
allel voor rode ogen.
Correlating Behavior of a Gene’s Alleles with Behavior of a Chromosome
Pair
Morgan ontdekte als eerst dat een allel X-chromosomaal kan zijn. Dit chromosoom komt dan alleen voor
op het X-chromosoom. Mannen worden dan meestal het slachtoffer van erfelijke mutaties.
Morgan liet een witogig mannetje paren met een roodogig vrouwtje. Alle F1 nakomelingen hadden rode
ogen. Toen de F1 onderling werd gekruist, was er sprake van een klassieke 3:1 verhouding tussen de
nakomelingen in de F2. Echter kwam de eigenschap voor witte ogen alleen tot uiting bij mannetjes. Alle
vrouwtjes in de F2 hadden rode ogen. Zo concludeerde Morgan dat oogkleur geslachtsgebonden was.
Een vrouwelijke vlieg bezit 2 X-chromosomen
(XX) en een mannelijke vlieg maar 1 (XY). Het
verband tussen de eigenschap voor witte ogen
en het mannelijke geslacht binnen de F2
vliegen, duidde voor Morgan op het feit dat het
betrokken gen in de witogige mutanten op het
X-chromosoom gelokaliseerd was. Dit zonder
bijbehorend allel op het Y-chromosoom.