Leerdoelen
Formeel strafrecht
Week 1
de bronnen, uitgangspunten en beginselen van het strafprocesrecht toelichten;
de betekenis van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel en de wijze waarop dit
beginsel zijn neerslag vindt in de wet toelichten;
De betekenis van dit beginsel is dat een feit niet strafbaar is als er geen wettelijke
bepaling van bestaat. In andere woorden: iets is niet strafbaar als niet in de wet
staat dat dit strafbaar is. Een ander woord voor dit beginsel is het nulla poena-
beginsel. Dit beginsel dient ervoor dat de rechter niet met terugwerkende kracht
regels op kan leggen + rechtszekerheid voor de burger.
uitleggen waarom het strafprocesrecht enerzijds een instrumenteel karakter heeft
en anderzijds een element van rechtsbescherming in zich draagt;
Het strafprocesrecht heeft twee functies:
- De instrumentele functie → instrumenten en bevoegdheden die gegeven worden
aan de politie en justitie, belang van de gemeenschap (de waarheid wordt naar
boven gehaald)
- Rechtsbeschermende functie → de verdachte/personen moeten worden
beschermd tegen het handelen van de overheid. (belang van verdachte)
het algemeen normatief kader voor de opsporing uiteenzetten en toelichten dat
onrechtmatigheden in de opsporing gevolgen kunnen hebben voor de
berechting van de verdachte;
De rechter heeft om de twee functies van het strafprocesrecht te waarborgen een
normatief kader in de wet opgenomen. Steeds als er sprake is van opsporing, art.
132a Sv moet er aan vier elementen gedacht worden:
I. Alle strafvordering moet berusten op een formeel wettelijke basis. Ofwel alle
bevoegdheden moeten terug te voeren zijn op de wet in formele zin, art. 1 Sv ‘’bij
de wet voorzien’’.
II. Alles wat de politie doet in het kader van opsporing, moeten zij verantwoorden in
een proces-verbaal, art. 152-157, 148 lid 3 en 149a en b Sv.
III. De politie opereert niet op eigen houtje, maar met behulp van de Officier van
Justitie.
IV. Als er onrechtmatig wordt opgespoord, dan kan dit consequenties hebben, art.
359a Sv.
het belang van artikel 3 Politiewet voor de opsporing toelichten en een verband
leggen met artikel 1 Wetboek van Strafvordering.
Formeel strafrecht
Week 1
de bronnen, uitgangspunten en beginselen van het strafprocesrecht toelichten;
de betekenis van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel en de wijze waarop dit
beginsel zijn neerslag vindt in de wet toelichten;
De betekenis van dit beginsel is dat een feit niet strafbaar is als er geen wettelijke
bepaling van bestaat. In andere woorden: iets is niet strafbaar als niet in de wet
staat dat dit strafbaar is. Een ander woord voor dit beginsel is het nulla poena-
beginsel. Dit beginsel dient ervoor dat de rechter niet met terugwerkende kracht
regels op kan leggen + rechtszekerheid voor de burger.
uitleggen waarom het strafprocesrecht enerzijds een instrumenteel karakter heeft
en anderzijds een element van rechtsbescherming in zich draagt;
Het strafprocesrecht heeft twee functies:
- De instrumentele functie → instrumenten en bevoegdheden die gegeven worden
aan de politie en justitie, belang van de gemeenschap (de waarheid wordt naar
boven gehaald)
- Rechtsbeschermende functie → de verdachte/personen moeten worden
beschermd tegen het handelen van de overheid. (belang van verdachte)
het algemeen normatief kader voor de opsporing uiteenzetten en toelichten dat
onrechtmatigheden in de opsporing gevolgen kunnen hebben voor de
berechting van de verdachte;
De rechter heeft om de twee functies van het strafprocesrecht te waarborgen een
normatief kader in de wet opgenomen. Steeds als er sprake is van opsporing, art.
132a Sv moet er aan vier elementen gedacht worden:
I. Alle strafvordering moet berusten op een formeel wettelijke basis. Ofwel alle
bevoegdheden moeten terug te voeren zijn op de wet in formele zin, art. 1 Sv ‘’bij
de wet voorzien’’.
II. Alles wat de politie doet in het kader van opsporing, moeten zij verantwoorden in
een proces-verbaal, art. 152-157, 148 lid 3 en 149a en b Sv.
III. De politie opereert niet op eigen houtje, maar met behulp van de Officier van
Justitie.
IV. Als er onrechtmatig wordt opgespoord, dan kan dit consequenties hebben, art.
359a Sv.
het belang van artikel 3 Politiewet voor de opsporing toelichten en een verband
leggen met artikel 1 Wetboek van Strafvordering.