Monohybride kruisingen:
Let je op de overerving van 1 eigenschap, waarbij 1 genenpaar is betrokken
P: (genotype) BB x. bb
Geslachtscellen: B b
F1: (genotype). Bb. x Bb
Geslachtscellen: B of b. B of b
F2: (genotype) zie kruisingschema hiernaast (B = A, b = a)
Verhouding in de F2:
genotype: BB : Bb : bb = 1 : 2 : 1
Fenotype: dominant tot uiting : recessief tot uiting = 3 : 1
Er is dus 75% kans dat de hond zwartharig wordt (B), 25% kans bruinharig (b)
Testkruising:
hiermee leid je uit de F1 af of organisme homozygoot of hetrozygoot is voor een
dominant allel, omdat je dit niet aan een organisme kan zien.
Je kruist een organisme mt een homozygoot recessief organisme
X-chromosomaal kruisingsvraagstuk:
Genen die allen in x-chromosomen voorkomen
Allelen geeft je aan met X A Of X a
A A a
P: X X XX Y
Geslachtscellen: X A X a of Y
A a A
F1. X X of X Y
(Door dit vrouwtje en mannetje tekruisen krijg je):
A a A
X X XX Y
A a A
Geslachtscellen: X of X X of Y
In F2 komen voor:
- 50% roodkleurige vrouwtje
- 25% roodkleurige mannetjes
- 25% witkleurige mannetjes
Verhouding tusse deze fenotype is 2 : 1 : 1
Kruisingsvraagstuk met multipele allen:
Bestaan voor 1 erfelijke eigenschap 3 of meer verschillende allelen bv I A I B i
A B
P: I I X ii
A B
Geslachtscellen: I of I ii
In F1 komen voor:
- 50% bloedgroep A
- 50% bloedgroep B
Verhouding is 1 : 1
De kans dat het kind bloedgroep AB ( I A I B ¿ heeft is 0%