Nakoming en Opschorting als zijnde een verweermiddel
De nakoming van een verbintenis. Als je een wederkerige ovk hebt, dan vloeien uit die ovk meerdere
verbintenissen voort. Voor ieder van die verbintenissen geldt dat daar een passief en actief kant aan zit.
Aan de actief kant staat de schuldeiser en de passief kant de schuldenaar/ debiteur. Als we het hebben
over nakoming dan hebben we het erover dat de debiteur voldoet aan zijn verbintenis. Dus de prestatie
verricht die hij obv die verbintenis moet verrichten. Als er onduidelijk heerst over wat die prestatie is,
dan kom je toe aan uitleg van de ovk.
Wat betreft die nakoming van de verbintenis zijn de volgende afdeling van het BW van belang:
- Afdeling 6.1.6 (6:27 – 6:51) nakoming van verbintenissen
- Afdeling 6.1.11 (6:111 – 6:126) Betalingsverbintenissen, dus de verbintenis tot betaling van een
geldsom
- Titel. 3.11 (3:296 – 3:301) Rechtsvordering tot nakoming (Als een schuldenaar niet vrijwillig nakomt,
dan kan hij op vordering van de schuldeiser door de rechter daartoe worden veroordeelt.)
Het is de regel dat wanneer een schuldenaar zijn verbintenis nakomt dat als gevolg van die nakoming, hij
wordt bevrijdt van zijn verbintenis. Dat betekent dus dat aan de passief kant de verbintenis teniet gaat,
en dus ook aan de actief kant het vorderingsrecht van de crediteur verloren gaat. De verbintenis houdt
namelijk op met bestaan doordat die bevrijdend is nagekomen. Door nakoming gaat dus een verbintenis
teniet en daarmee ook de vordering. De uitzondering hierop is: Subrogatie, bij subrogatie wordt wel aan
een verbintenis voldaan maar blijft die verbintenis toch in stand. Meest simpele voorbeeld hiervan is:
Automobilist D bij een ongeval schade toebrengt aan automobilist C. C heeft als crediteur een vordering
uit OD tot schadevergoeding. Dit is ook een verbintenis, weliswaar uit de wet, met een actiefkant en
passiefkant.En dan kan het zo zijn dat C verzekerd is, en verzekeraar de schade vergoed aan crediteur en
daarmee wordt eigenlijk voldaan aan de verbintenis maar die gaat niet teniet. Want er treedt een
subrogatie op. De verzekeraar treedt in de plaats van crediteur en uiteindelijk blijft verbintenis die op de
debiteur rust gewoon bestaan. Alleen moet die debiteur nou betalen aan de verzekeraar.
Casus 1: Gaat om een schuldeiser (vennootschap), SBV. Heeft een vordering van 150k op DBV (debiteur
ook vennootschap). Dan is het zo dat niet DBV zelf aan die verbintenis wil voldoen maar een derde,
Derks. Die wil de schuld van DBV betalen. Vraag is als dan Derks die 150k betaalt aan SBV, levert dat een
bevrijdende betaling op voor DBV? Ja 6:30 BW, die zegt dat een verbintenis ook door een derde kan
worden voldaan tenzij de aard van de verbintenis zich daar tegen verzet. Bij een betalingsverplichting zal
dat laatste niet aan de orde zijn. Betekent dus wanneer Derks betaalt aan SBV dat in dat geval DBV
wordt bevrijd van haar schuld jegens SBV. In praktijk is wel van belang dat als een derde betaalt (Derks),
dat hij bij de betaling wel kenbaar maakt aan de schuldeiser dat hij de schuld van een ander betaalt. Dus
in de betalingsopdracht via internetbankieren even vermelden dat het gaat om een schuld van DBV.
Stel nu Derks die stelt: Ik heb voor DBV die schuld betaalt (150K) en dat betekent dat ik dat geld wel