Beginsituatie
Bij voorlezen heb ik meestal een costaal1 spreekadempatroon.
Soms heb ik bij het lezen ook een hoorbare inademing.
Daarnaast heb ik enigszins een natte ‘t’.
Bij de tongpunt ‘r’ beweegt mijn tong opzij, naar rechts.
Mijn houding is soms wat gespannen en mijn knieën staan vaak op slot.
Soms wat in elkaar gezakt op een stoel.
Soms, in het bijzonder als ik wat moe ben, praat ik binnensmonds
Te weinig pittige articulatie en gebruik van alveolairen.
Soms een iets te hoge inademing.
Ik gebruik soms te weinig intonatie.
De ‘v’ klinkt vaak als een ‘f’. De ‘f’ en ‘v’ vind ik soms wat te scherp. Gebruik van
teveel lucht.
Mijn lippen maak ik niet rond genoeg.
Te weinig gebruik van kaakdaling.
Einddoel
In een monoloog kan ik op een professionele spreekstijl presenteren met een
ontspannen stemgebruik. Dit wordt beoordeeld door de docenten aan de hand van
de beoordelingsrubric.
1 Borstademhaling, de ademhaling die plaatsvindt met behulp van spieren tussen de ribben.