Week 1
1. Wat is het doel van de wetenschap?
A) Het voorspellen en controleren van gedrag.
B) Het vergroten van subjectieve overtuigingen.
C) Het bevestigen van bestaande theorieën.
D) Het bereiken van consensus tussen wetenschappers.
2. Wat is het verschil tussen objectieve en subjectieve claims?
A) Objectieve claims kunnen worden bewezen, terwijl subjectieve claims persoonlijk van aard
zijn.
B) Objectieve claims zijn gebaseerd op intuïtie, terwijl subjectieve claims zijn gebaseerd op
bewijs.
C) Objectieve claims zijn afhankelijk van persoonlijke overtuigingen, terwijl subjectieve claims
universeel zijn.
D) Objectieve claims hebben betrekking op subjectieve ervaringen, terwijl subjectieve claims
gebaseerd zijn op objectieve feiten.
3. Wat is het Dunning-Kruger-effect?
A) Het overschatten van vaardigheden bij mensen met weinig kennis.
B) Het onderschatten van vaardigheden bij mensen met veel kennis.
C) Het evenwichtig beoordelen van vaardigheden bij mensen met gemiddelde kennis.
D) Het vermogen om vaardigheden nauwkeurig te beoordelen, ongeacht de kennis.
4. Welke logica behandelt categorieën die vol, leeg, overlappend, etc. kunnen zijn?
A) Categorische logica.
B) Propositionele logica.
C) Inductieve logica.
D) Deductieve logica.
5. Wat is een syllogisme?
A) Een logische redenering met twee of meer premissen en een conclusie.
B) Een verklaring die verklaart waarom iets waar is.
C) Een wetenschappelijke theorie gebaseerd op observaties.
D) Een categorisering van claims op basis van hun verbindingen.
6. Welke indicator duidt op een premisse in een argument?
A) "Therefore"
B) "Because"
C) "Consequently"
D) "Implies that"
,Vragen gaan verder over 5 pagina’s
,
,
1. Wat is het doel van de wetenschap?
A) Het voorspellen en controleren van gedrag.
B) Het vergroten van subjectieve overtuigingen.
C) Het bevestigen van bestaande theorieën.
D) Het bereiken van consensus tussen wetenschappers.
2. Wat is het verschil tussen objectieve en subjectieve claims?
A) Objectieve claims kunnen worden bewezen, terwijl subjectieve claims persoonlijk van aard
zijn.
B) Objectieve claims zijn gebaseerd op intuïtie, terwijl subjectieve claims zijn gebaseerd op
bewijs.
C) Objectieve claims zijn afhankelijk van persoonlijke overtuigingen, terwijl subjectieve claims
universeel zijn.
D) Objectieve claims hebben betrekking op subjectieve ervaringen, terwijl subjectieve claims
gebaseerd zijn op objectieve feiten.
3. Wat is het Dunning-Kruger-effect?
A) Het overschatten van vaardigheden bij mensen met weinig kennis.
B) Het onderschatten van vaardigheden bij mensen met veel kennis.
C) Het evenwichtig beoordelen van vaardigheden bij mensen met gemiddelde kennis.
D) Het vermogen om vaardigheden nauwkeurig te beoordelen, ongeacht de kennis.
4. Welke logica behandelt categorieën die vol, leeg, overlappend, etc. kunnen zijn?
A) Categorische logica.
B) Propositionele logica.
C) Inductieve logica.
D) Deductieve logica.
5. Wat is een syllogisme?
A) Een logische redenering met twee of meer premissen en een conclusie.
B) Een verklaring die verklaart waarom iets waar is.
C) Een wetenschappelijke theorie gebaseerd op observaties.
D) Een categorisering van claims op basis van hun verbindingen.
6. Welke indicator duidt op een premisse in een argument?
A) "Therefore"
B) "Because"
C) "Consequently"
D) "Implies that"
,Vragen gaan verder over 5 pagina’s
,
,