Bachelor 3
Het formeel strafrecht
,Literatuur Onderwijsweek 6 – 12
Vervolging
Vervolgingsbeslissing
Het openbaar ministerie (OM) heeft een zogenoemd vervolgingsmonopolie: alleen de functionarissen van het OM
(de officieren van justitie (OvJ)) kunnen besluiten om tot vervolging over te gaan (art. 9 Sv).
De OvJ beoordeelt eerst de haalbaarheid van de strafzaak: zou deze strafzaak tot een veroordeling of
schuldigverklaring (art. 9a Sr) kunnen leiden? Als dat niet zo is, dan moet de OvJ de strafzaak laten
rusten (technisch seponeren, zie nr. 67). Is de strafzaak haalbaar, dan kan de OvJ van vervolging van
de verdachte afzien op gronden die aan het algemeen belang zijn ontleend. Dit wordt het
opportuniteitsbeginsel genoemd. Het geeft de OvJ de keuze om al dan niet tot (verdere) vervolging over
te gaan (art. 167 en 242 Sv, voor het vervolgingsbegrip zie nr. 59).
Het opportuniteitsbeginsel biedt de OvJ in beginsel veel discretionaire ruimte. Met het oog op de
rechtsgelijkheid heeft het College van procureurs-generaal (zie nr. 52) opsporings- en
vervolgingsrichtlijnen uitgevaardigd. Deze richtlijnen, mits behoorlijk bekendgemaakt, worden gezien als
recht en binden de OvJ via de beginselen van een goede procesorde.'
'Er bestaan twee opvattingen over het in art. 167 en 242 Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel:
1. Het negatieve opportuniteitsbeginsel: in beginsel vervolgt het OM, tenzij er redenen van
algemeen belang zijn om dat niet te doen.
2. Het positieve opportuniteitsbeginsel: in beginsel vervolgt het OM niet, tenzij dat om redenen
van algemeen belang wordt gevorderd.
Er zijn meerdere situaties denkbaar waarbij de OvJ een beslissing moet nemen over de vervolging van
de verdachte; deze situaties kennen elk hun eigen voorschriften.
Beslissen over de vervolging na het opsporingsonderzoek
In deze situatie heeft het opsporingsonderzoek voldoende gegevens opgeleverd en is er nog geen rechter in de
zaak betrokken (de vervolging is nog niet aangevangen, zie nr. 59). In dit geval is de vijfde afdeling van Titel I van
het Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, getiteld ‘Beslissingen omtrent vervolging’
(art. 167 en 167a Sv).
De OvJ kan nu besluiten om tot vervolging over te gaan door:
een dagvaarding uit te brengen aan de verdachte (art. 167 lid 1 jo. 258 Sv) om voor de zittingsrechter te
verschijnen, die een oordeel zal geven over het tenlastegelegde feit (er wordt een rechter bij de zaak
betrokken);
voorlopige hechtenis tegen de verdachte te vorderen (er wordt een rechter bij de zaak betrokken: in het
geval van bewaring de rechter-commissaris (R-C) (art. 63 Sv) en in het geval van gevangenhouding of
gevangenneming de rechtbank (art. 65 Sv));
onderzoek door de R-C te vorderen (art. 181 Sv, er wordt een rechter bij de zaak betrokken, zie nr. 59)
een strafbeschikking uit te vaardigen aan een verdachte (art. 167 lid 1 jo. 257a e.v. Sv) (hoewel er geen
rechter bij de zaak wordt betrokken, wordt toch gesproken van vervolging, zie nr. 67).
De OvJ kan ook besluiten niet te vervolgen door:
de strafzaak onvoorwaardelijk te seponeren (niet te vervolgen, te laten rusten) (een beleidssepot, zie nr.
67);
de zaak voorwaardelijk te seponeren (een beleidssepot) of de verdachte een transactie aan te bieden
(voorwaardelijk niet te vervolgen) (zie nr. 67).
In deze situatie wordt de vervolgingsbeslissing genomen op basis van art. 167 Sv. Omdat de OvJ in deze situatie
niet wettelijk verplicht is de verdachte over de afloop van de zaak te informeren, staat in beginsel niets de OvJ in
de weg om op zijn beslissing de verdachte niet te vervolgen terug te komen. Dit ligt anders indien de OvJ de
verdachte wel heeft geïnformeerd over de beslissing om niet te vervolgen (hetgeen steeds het geval zal zijn
wanneer het gaat om een voorwaardelijk sepot of een transactie omdat de verdachte dan aan bepaalde
voorwaarden moet voldoen, maar het kan ook het geval zijn bij een onvoorwaardelijk sepot). Als de OvJ dan op
, zijn beslissing zou terugkomen, handelt hij in strijd met het vertrouwensbeginsel (zie nr. 47), tenzij er sprake is
van gewijzigde omstandigheden.
Als de OvJ nog geen vervolgingsbeslissing heeft genomen en de verdachte wil weten hoe het met zijn zaak zit,
dan kan hij verzoeken om een verklaring dat de zaak is geëindigd (art. 36 Sv). Indien de verdachte een
beschikking heeft ontvangen met daarin de verklaring dat de zaak is geëindigd, dan wordt hij beschermd door art.
255 lid 1 Sv: hij mag niet opnieuw in rechte worden betrokken, tenzij er nieuwe bezwaren bekend zijn geworden
(zie ook nr. 77).
Beslissen omtrent verdere vervolging
Indien een rechter bij de zaak is betrokken doordat de OvJ onderzoek door de R-C of voorlopige hechtenis tegen
de verdachte heeft gevorderd, dan wordt formeel al van vervolging gesproken (zie hiervoor). In dat geval zal de
OvJ alsnog moeten beslissen wat hij met de strafzaak zal doen. Dan is Titel IV van het Tweede Boek van het
Wetboek van Strafvordering van toepassing, getiteld ‘Beslissing omtrent verdere vervolging’ (de vervolging is
formeel immers al begonnen) (art. 242 e.v. Sv).
De OvJ kan voor wat betreft de afdoening van de zaak nu besluiten om tot verdere vervolging over te gaan door:
een dagvaarding uit te brengen aan de verdachte (art. 242 lid 1 jo. 258 Sv) om voor de zittingsrechter te
verschijnen, die een oordeel zal geven over het tenlastegelegde feit;
een strafbeschikking uit te vaardigen aan de verdachte (art. 242 lid 1 jo. 257a e.v. Sv).
De OvJ kan ook besluiten niet verder te vervolgen door:
de strafzaak onvoorwaardelijk te seponeren (beleidssepot, zie nr. 67);
de zaak voorwaardelijk te seponeren (beleidssepot) of de verdachte een transactie aan te bieden
(voorwaardelijk niet verder te vervolgen) (zie nr. 67).
In deze situatie is art. 243 Sv van toepassing. Indien de OvJ besluit niet verder te vervolgen, dan doet hij de
verdachte daarvan onverwijld schriftelijk mededeling (lid 1). Deze schriftelijke mededeling wordt ook wel de
‘kennisgeving van niet verdere vervolging’ genoemd. De kennisgeving moet worden betekend aan de verdachte
(lid 3), terwijl het slachtoffer wordt geïnformeerd omtrent de niet verdere vervolging van de verdachte (lid 4). Door
de kennisgeving eindigt de zaak (art. 246 lid 1 Sv). Dit betekent dat de verdachte voor die zaak niet opnieuw in
rechte mag worden betrokken, tenzij er nieuwe bezwaren bekend zijn geworden of het gerechtshof na een beklag
ex art. 12 Sv de verdere vervolging beveelt (zie nr. 68) (art. 255 Sv). In dat laatste geval mag de OvJ alleen na
‘bewilliging’ door het gerechtshof alsnog besluiten de zaak niet verder te vervolgen (art. 243 lid 5 Sv).
Alternatieve wijzen van afdoen
Een strafzaak kan op andere wijze dan via de normale vervolging (het feit door dagvaarding in volle omvang
voorleggen aan een zittingsrechter) worden afgedaan. Andere manieren van afdoen zijn het (voorwaardelijk)
sepot, de transactie en de voeging ad informandum. Ook heeft het openbaar ministerie (OM) de mogelijkheid om
via een strafbeschikking de zaak zelf af te doen (art. 257a e.v. Sv).
Het sepot
Een sepot betekent dat het OM van vervolging afziet. Het komt ook vaak voor dat een potentiële zaak
nooit bij het OM terechtkomt, omdat de politie de zaak heeft ‘geseponeerd’: het politiesepot. Een
voorbeeld daarvan is de opsporingsambtenaar die iemand laat gaan zonder proces-verbaal op te
maken. De politie bepaalt dus voor een belangrijk deel welke zaken bij het OM terechtkomen. Het
politiesepot is niet in de wet geregeld.
Er zijn verschillende redenen waarom door het OM wordt afgezien van vervolging:
o Technisch sepot: een veroordeling is om technische redenen onwaarschijnlijk (bijv. te weinig
bewijs, OM niet-ontvankelijk, verdachte heeft het niet gedaan, aanwezigheid van een
strafuitsluitingsgrond).
o Beleidssepot: een veroordeling is wel mogelijk, maar op gronden die aan het algemeen belang
zijn ontleend, niet gewenst (bijv. de verdachte is al op een andere manier gestraft, de relatie
tussen slachtoffer en verdachte eist dat niet wordt vervolgd, het feit is al civiel- of tuchtrechtelijk
afgedaan of de rechtsorde zou door vervolging worden verstoord).'