SAMENVATTING
Paragraaf 1 Consumentenprijsindex, gevolgen inflatie en geldillusie
Inflatie = stijging van het gemiddelde prijspeil in een land
Deflatie = daling van het gemiddelde prijspeil in een land
Meting inflatie
De inflatie wordt door CBS gemeten d.m.v. CPI. Consumentenprijsindex = het prijsverloop van een
pakket producten en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door de Nederlandse
huishoudens. Goederen waaraan veel geld wordt uitgegeven, worden zwaarder meegerekend dan
goederen waaraan weinig wordt uitgegeven (wegingsfactoren)
Afgeleide consumentenprijsindex = CPI, maar dan zonder het effect van veranderingen in de
tarieven van productbonden belastingen en subsidies op de prijzen. Dus hoe hoog de inflatie geweest
zou zijn zonder belastingen en subsidies. Vaak wordt dit bij loononderhandelingen gebruikt.
Europees geharmoniseerde HICP = een CPI met andere wegingsfactoren en andere goederen. Dit
getal wordt gebruikt om EU landen met elkaar te vergelijken.
Persoonlijke inflatie = inflatie berekend op jouw eigen uitgaven en wegingsfactoren.
Gevolgen inflatie
1. Daling van de koopkracht
2. Herverdeling van inkomens: werknemers die prijscompensatie krijgen, zien hun loon stijgen.
Producenten die hun producten voor meer kunnen verkopen, zien hun winst stijgen. De rest
heeft koopkrachtverlies inkomensnivellering.
Waardevaste stijging = loon of uitkering stijgt even hard als inflatie
welvaartsvaste uitkering = uitkering stijgt even hard als de koopkrachtstijging van het
gemiddelde loon.
3. Veranderingen in de waarde van je vermogensbezit: Als je geld uitleent en het veel later
terugkrijgt, is dat geld alweer minder waard.
4. Loon-prijsspiraal: lonen omhoog prijzen omhoog prijscompensatie lonen omhoog…
5. Verslechtering van de internationale concurrentiepositie: als de prijzen van Nederlandse
bedrijven sterker stijgen dan die van buitenlandse concurrenten, verslechtert de
internationale concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven.
6. Daling van de besparingen: inflatie is hoger dan de rente op je spaarrekening. Nu uitgeven is
dan soms beter. Als je nu geld leent voor een auto tegen 4% rente is dat voordeliger, als je
weet dat die auto volgend jaar 10% duurder is.
7. Onzekerheid in het economisch verkeer en sociale onrust: vertrouwen van consumenten en
bedrijven in de economie neemt af.
Hyperinflatie = geld wordt snel minder waard en vertrouwen ervan daalt. Economie kan
veranderen in ruileconomie.
Geld, inflatie en geldillusie
Geldillusie = mensen beoordelen de waarde van geld niet goed, omdat ze naar de absolute waarde
kijken en niet naar de koopkracht.
Deflatie
Deflatie is niet goed voor de economie, want uitgaven zullen dalen. Afzet van bedrijven daalt, winst
daalt, bedrijven moeten bezuinigen, banen vallen af, bedrijven gaan failliet. Het uitstellen van
uitgaven kan ook gebeuren bij een daling van de inflatie.