14/9/2015
Hoorcollege 2 SBR
Parlement en regering: kiesrecht en kabinetsformatie
Algemeen
Regering: koning(in) en ministers
Staten-Generaal: Eerste en Tweede Kamer (art. 51 Gw)
Minister zonder portefeuille: minister zonder eigen ministerie, maar die valt onder een
ander ministerie
Ministerraad: alle ministers bij elkaar
Ministers worden benoemd door de koning, maar heeft ook een handtekening van de
minister-president nodig.
Tot 2012 koos de koning(in) een informateur (politicus of oud-politicus die onderzocht welke
partijen samen konden werken en een meerderheid konden vormen). D66 en GroenLinks
wilden een wijziging van het Reglement voor Orde van de Tweede Kamer, de informateur
wordt niet meer benoemd door de koning(in) maar door de tweede kamer. De informateur
benoemd de formateur, vaak de toekomstige minister-president. De Tweede Kamer is
belangrijk hiervoor, de Eerste Kamer niet.
Eerste Kamer is opgericht als adelskamer en wordt getrapt gekozen door de leden van de
provinciale staten. Vandaag heeft de Eerste Kamer de functie om te veel democratie te
beperken. Hier geldt ook de evenredige vertegenwoordiging.
Ontwikkeling kiesrecht
1848: Thorbecke schrijft grondwet in opdracht van Willem II. Hij zorgt ervoor dat de Tweede
Kamer niet meer getrapt maar rechtstreeks gekozen worden. Alleen mannen met
censuskiesrecht mochten stemmen.
1917: algemeen mannenkiesrecht + passief kiesrecht voor vrouwen. Grondwet werd
hiervoor aangepast. Ook het bijzonder onderwijs werd toen geregeld bij Grondwet. Tot aan
1917 gebruikten we in Nederland een absoluut meerderheidsstelsel: Nederland was
verdeeld in 100 districten die ieder 1 zetel hadden, de winnaar van het district mocht naar
de Tweede Kamer, vergelijkbaar met de twee partijen in de VS en het VK. In Nederland had
je lange tijd liberalen tegen conservatieven (later vooral confessionelen). Eind 19e eeuw was
er veel kritiek op het meerderheidsstelsel omdat er veel “verloren stemmen” waren. Nu
hebben we een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Hier zijn geen verloren stemmen
meer, waardoor er een betere afspiegeling is van de voorkeuren van de bevolking.
1919: algemeen vrouwenkiesrecht. Om in de Tweede Kamer terecht te komen moet je 2/3%
van het aantal uitgebrachte stemmen halen.
Uitgebracht stemmen/aantal zetels= kiesdeler
Er blijven zo wel altijd stemmen over, dat zijn de restzetels.
Evenredige vertegenwoordiging is een mix van een lijsten- en personenstelsel. Je stemt op
een persoon, maar alle zetels worden eerst aan een lijst (= politieke partij) toegekend.
Politieke partijen
Abraham Kuyper richtte de eerste politieke partij op, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), een
van de voorlopers van het CDA. Hij maakte de kiesverenigingen (lokaal) om tot politieke
Hoorcollege 2 SBR
Parlement en regering: kiesrecht en kabinetsformatie
Algemeen
Regering: koning(in) en ministers
Staten-Generaal: Eerste en Tweede Kamer (art. 51 Gw)
Minister zonder portefeuille: minister zonder eigen ministerie, maar die valt onder een
ander ministerie
Ministerraad: alle ministers bij elkaar
Ministers worden benoemd door de koning, maar heeft ook een handtekening van de
minister-president nodig.
Tot 2012 koos de koning(in) een informateur (politicus of oud-politicus die onderzocht welke
partijen samen konden werken en een meerderheid konden vormen). D66 en GroenLinks
wilden een wijziging van het Reglement voor Orde van de Tweede Kamer, de informateur
wordt niet meer benoemd door de koning(in) maar door de tweede kamer. De informateur
benoemd de formateur, vaak de toekomstige minister-president. De Tweede Kamer is
belangrijk hiervoor, de Eerste Kamer niet.
Eerste Kamer is opgericht als adelskamer en wordt getrapt gekozen door de leden van de
provinciale staten. Vandaag heeft de Eerste Kamer de functie om te veel democratie te
beperken. Hier geldt ook de evenredige vertegenwoordiging.
Ontwikkeling kiesrecht
1848: Thorbecke schrijft grondwet in opdracht van Willem II. Hij zorgt ervoor dat de Tweede
Kamer niet meer getrapt maar rechtstreeks gekozen worden. Alleen mannen met
censuskiesrecht mochten stemmen.
1917: algemeen mannenkiesrecht + passief kiesrecht voor vrouwen. Grondwet werd
hiervoor aangepast. Ook het bijzonder onderwijs werd toen geregeld bij Grondwet. Tot aan
1917 gebruikten we in Nederland een absoluut meerderheidsstelsel: Nederland was
verdeeld in 100 districten die ieder 1 zetel hadden, de winnaar van het district mocht naar
de Tweede Kamer, vergelijkbaar met de twee partijen in de VS en het VK. In Nederland had
je lange tijd liberalen tegen conservatieven (later vooral confessionelen). Eind 19e eeuw was
er veel kritiek op het meerderheidsstelsel omdat er veel “verloren stemmen” waren. Nu
hebben we een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Hier zijn geen verloren stemmen
meer, waardoor er een betere afspiegeling is van de voorkeuren van de bevolking.
1919: algemeen vrouwenkiesrecht. Om in de Tweede Kamer terecht te komen moet je 2/3%
van het aantal uitgebrachte stemmen halen.
Uitgebracht stemmen/aantal zetels= kiesdeler
Er blijven zo wel altijd stemmen over, dat zijn de restzetels.
Evenredige vertegenwoordiging is een mix van een lijsten- en personenstelsel. Je stemt op
een persoon, maar alle zetels worden eerst aan een lijst (= politieke partij) toegekend.
Politieke partijen
Abraham Kuyper richtte de eerste politieke partij op, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), een
van de voorlopers van het CDA. Hij maakte de kiesverenigingen (lokaal) om tot politieke