Thema 2. Parlement en regering: kiesrecht en
kabinetsformatie
Inleiding op het thema:
Het onderwerp van deze en de komende week zijn de Nederlandse politieke instituties op
centraal niveau: de Staten-Generaal (het parlement) en de regering. Volgende week wordt
behandeld hoe deze instituties zich tot elkaar verhouden. Deze week wordt ingezoomd op
de vraag hoe beide organen worden samengesteld. In dit verband is een grote rol
weggelegd voor het beginsel democratie.
In een democratie is het essentieel dat burgers directe zeggenschap hebben over de
organen van een staat. Formeel gezien is zulke directe zeggenschap in Nederland maar in
beperkte mate gerealiseerd. Van de vier organen die men in de samengestelde organen
Staten-Generaal en regering tegenkomt – Tweede Kamer, Eerste Kamer, Koning, ministers
– hebben daartoe gerechtigde burgers enkel rechtstreekse invloed op de samenstelling van
de Tweede Kamer. Zeggenschap over de samenstelling van de overige drie organen is
ofwel indirect (Eerste Kamer, ministers) ofwel afwezig (Koning). In de praktijk, via
bijvoorbeeld het vehikel van de politieke partij, speelt het beginsel democratie echter ook ten
aanzien van de samenstelling van deze overige organen een prominente rol.
Directe zeggenschap over de samenstelling van de Tweede Kamer wordt uitgeoefend via
het kiesrecht. Dit kiesrecht kan actief en passief van aard zijn, en komt niet aan iedereen die
zich in Nederland bevindt toe. Bepalingen hieromtrent vindt men onder meer in de Grondwet
en in de Kieswet. Verder is van belang kennis te nemen van het stelsel waarin het kiesrecht
in Nederland wordt uitgeoefend. Dat stelsel wordt gekenmerkt door evenredige
vertegenwoordiging. Dit systeem functioneert anders dan de meerderheidsstelsels in
bijvoorbeeld de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk. Het stelsel van evenredige
vertegenwoordiging wordt ook gehanteerd bij de verkiezing van de Eerste Kamer, door de
leden van de Provinciale Staten.
In Nederland oefenen burgers als gezegd geen directe invloed uit op de samenstelling van
de regering. Ministers worden benoemd door de Koning en het koningschap wordt erfelijk
vervuld. Indirect, via de Tweede Kamer, is er echter toch aanmerkelijke democratische
invloed op deze samenstelling. En wel via het proces van kabinetsformatie. Ook hierbij zal
deze week uitgebreid worden stilgestaan.
Literatuur:
- BKVW: Hoofdstukken 8, 10 (alleen paragrafen 10.2 – m.u.v. p. 239-244 – en 10.3)
Leerdoelen:
Na bestudering van de opgegeven literatuur en het bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten
kunt u in ieder geval:
1. omschrijven hoe in het Nederlandse constitutionele recht het actief en passief
kiesrecht is gewaarborgd;
2. uitleggen hoe een kabinet wordt geformeerd;
3. het Nederlandse kiesstelsel omschrijven en dit stelsel onderscheiden van andere
kiesstelsels
4. voor- en nadelen van het Nederlandse kiesstelsel uiteenzetten;
5. in grote lijnen de positie van politieke partijen in het Nederlandse constitutionele recht
bepalen en het belang daarvan begrijpen;
6. het verbod van last identificeren.
Inleiding staats- en bestuursrecht 2015-2016, © Universiteit Utrecht
kabinetsformatie
Inleiding op het thema:
Het onderwerp van deze en de komende week zijn de Nederlandse politieke instituties op
centraal niveau: de Staten-Generaal (het parlement) en de regering. Volgende week wordt
behandeld hoe deze instituties zich tot elkaar verhouden. Deze week wordt ingezoomd op
de vraag hoe beide organen worden samengesteld. In dit verband is een grote rol
weggelegd voor het beginsel democratie.
In een democratie is het essentieel dat burgers directe zeggenschap hebben over de
organen van een staat. Formeel gezien is zulke directe zeggenschap in Nederland maar in
beperkte mate gerealiseerd. Van de vier organen die men in de samengestelde organen
Staten-Generaal en regering tegenkomt – Tweede Kamer, Eerste Kamer, Koning, ministers
– hebben daartoe gerechtigde burgers enkel rechtstreekse invloed op de samenstelling van
de Tweede Kamer. Zeggenschap over de samenstelling van de overige drie organen is
ofwel indirect (Eerste Kamer, ministers) ofwel afwezig (Koning). In de praktijk, via
bijvoorbeeld het vehikel van de politieke partij, speelt het beginsel democratie echter ook ten
aanzien van de samenstelling van deze overige organen een prominente rol.
Directe zeggenschap over de samenstelling van de Tweede Kamer wordt uitgeoefend via
het kiesrecht. Dit kiesrecht kan actief en passief van aard zijn, en komt niet aan iedereen die
zich in Nederland bevindt toe. Bepalingen hieromtrent vindt men onder meer in de Grondwet
en in de Kieswet. Verder is van belang kennis te nemen van het stelsel waarin het kiesrecht
in Nederland wordt uitgeoefend. Dat stelsel wordt gekenmerkt door evenredige
vertegenwoordiging. Dit systeem functioneert anders dan de meerderheidsstelsels in
bijvoorbeeld de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk. Het stelsel van evenredige
vertegenwoordiging wordt ook gehanteerd bij de verkiezing van de Eerste Kamer, door de
leden van de Provinciale Staten.
In Nederland oefenen burgers als gezegd geen directe invloed uit op de samenstelling van
de regering. Ministers worden benoemd door de Koning en het koningschap wordt erfelijk
vervuld. Indirect, via de Tweede Kamer, is er echter toch aanmerkelijke democratische
invloed op deze samenstelling. En wel via het proces van kabinetsformatie. Ook hierbij zal
deze week uitgebreid worden stilgestaan.
Literatuur:
- BKVW: Hoofdstukken 8, 10 (alleen paragrafen 10.2 – m.u.v. p. 239-244 – en 10.3)
Leerdoelen:
Na bestudering van de opgegeven literatuur en het bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten
kunt u in ieder geval:
1. omschrijven hoe in het Nederlandse constitutionele recht het actief en passief
kiesrecht is gewaarborgd;
2. uitleggen hoe een kabinet wordt geformeerd;
3. het Nederlandse kiesstelsel omschrijven en dit stelsel onderscheiden van andere
kiesstelsels
4. voor- en nadelen van het Nederlandse kiesstelsel uiteenzetten;
5. in grote lijnen de positie van politieke partijen in het Nederlandse constitutionele recht
bepalen en het belang daarvan begrijpen;
6. het verbod van last identificeren.
Inleiding staats- en bestuursrecht 2015-2016, © Universiteit Utrecht