Een oog van de mens
De afbeelding geeft een doorsnede van een oog van de mens weer. Vier delen zijn aan-
gegeven met de letters P, Q, R en S. Wanneer iemand uit het donker in een verlichte
ruimte komt, wordt door een reflex de diameter van de pupil kleiner.
1 Op welke van de aangegeven plaatsen ontstaan impulsen waardoor deze reflex
begint?
A op plaats P
B op plaats Q
C op plaats R
D op plaats S
Kleurwaarneming
Een proefpersoon doet mee aan een experiment over kleurwaarne-
ming. Hij zit in een egaal verlichte ruimte. Zijn linkeroog is afgedekt
en met zijn rechteroog fixeert hij een punt P. Hij houdt zijn hoofd
rechtop en stil, terwijl de onderzoeker een groen balletje op oog-
hoogte van de proefpersoon in een horizontaal vlak beweegt. Het
balletje heeft een diameter van 1 cm en wordt volgens het aangege-
ven traject bewogen (zie de afbeelding). Op plaats Q wordt het bal-
letje voor de proefpersoon zichtbaar. Vervolgens beweegt de onder-
zoeker het balletje verder naar punt P.
2 Zal de proefpersoon het balletje en de groene kleur ervan in
het gehele traject QP waarnemen?
A Hij neemt het balletje en de kleur van het balletje in het
gehele traject QP waar.
B Hij neemt het balletje in het gehele traject QP waar,
maar eerst ziet hij de kleur wel, dan even niet en vervol-
gens weer wel.
C Hij neemt het balletje niet in het gehele traject QP waar;
als hij het balletje waarneemt, ziet hij ook de kleur.
D Hij neemt het balletje niet in het gehele traject QP waar;
als hij het balletje waarneemt, ziet hij niet altijd de kleur.
Een oog van de mens
In een oog van de mens kunnen onder andere de volgende veranderingen optreden.
1. De diameter van de pupil wordt groter.
2. In de kegeltjes worden meer stoffen door licht omgezet.
3. De lens wordt minder bol.
3 Welke van deze veranderingen treedt of welke treden zeker op wanneer iemand uit een goed verlichte kamer in een schemerige
gang komt?
A alleen verandering 1
B alleen de veranderingen 1 en 3
C alleen de veranderingen 2 en 3
D de veranderingen 1, 2 en 3
, Zenuwstelsel
In de afbeelding geeft tekening 1 schematisch een zenuwcel van de mens weer die is verbonden met spiervezels.
Tekening 2 in de afbeelding is een schema van een aantal verbindingen in het ruggenmerg. In dit schema is een aantal zenuwcellichamen
en uitlopers aangegeven met
letters.
4 Op welke van de plaatsen
E, F of G in tekening 2 be-
vindt zich deel P uit teke-
ning 1 ?
A op plaats E
B op plaats F
C op plaats G
5 Hoeveel cellichamen van
schakelcellen zijn in teke-
ning 2 weergegeven?
A drie
B vier
C zes
6 Kunnen volgens de gete-
kende schakelingen via
baan S impulsen van het
ruggenmerg naar de her-
senen worden geleid
en/of impulsen van de
hersenen naar het rug-
genmerg?
A alleen van het rug-
genmerg naar de
hersenen
B alleen van de herse-
nen naar het ruggen-
merg
C in beide richtingen
Zenuwceluitloper T wordt onderbroken door een beschadiging.
7 Wordt daardoor een motorische of een sensorische zenuwceluitloper onderbroken of is dat niet uit de afbeelding op te maken?
A een motorische zenuwceluitloper
B een sensorische zenuwceluitloper
C niet uit de afbeelding op te maken
Het ruggenmerg
De afbeelding geeft schematisch een dwarsdoorsnede van het ruggenmerg
van de mens weer. De zenuwceluitlopers S en T zijn met het linkerbeen ver-
bonden.
8 Wordt met R het cellichaam aangegeven van een motorische zenuw-
cel, van een schakelcel of van een sensorische zenuwcel?
A van een motorische zenuwcel
B van een schakelcel
C van een sensorische zenuwcel
Op de plaats die in de afbeelding met een pijl is aangegeven, wordt de zenuwceluitloper geprikkeld.
9 Kunnen impulsen die als direct gevolg van deze prikkeling ontstaan, worden voortgeleid in de richting van P, in de richting van Q of
in de richting van beide zenuwcellichamen?
A alleen in de richting van P
B alleen in de richting van Q
C zowel in de richting van P als in de richting van Q