1. B lucht uit de luchtpijp en de bronchiën is niet in contact geweest met het bloed waardoor
er dus meer zuurstof en minder koolstofdioxide in zit
2. D laag P is van de moeder en maakt scheiding tussen het bloed van de moeder en bloed
van het kind. Bloed van de moeder bevat veel meer zuurstof en minder koolstofdioxide
dan bloed van het kind dus dat komt overeen met ingeademde lucht in de longen.
Daardoor komt P dus overeen met de wand van het longblaasje
3. B Als de hoeveelheid CO2 stijgt, neemt de ademfrequentie toe. Het orthosympatische
zenuwstelsel is gericht op activiteit/inspanning (meer zuurstof o.a.)
4. B 1 = rechterboezem (= zuurstofarm) en 2 en 3 dus ook zuurstofarm, bij 4 is zuurstof
opgenomen dus zuurstofrijk en dus 5 en 6 ook zuurstofrijk
5. Wanneer er puur zuurstof wordt toegediend zal de koolstofdioxideconcentratie van het
bloed zeer laag worden en dus geen prikkel vormen voor de ademhaling van de
bewusteloze persoon. Omdat je wilt dat dat wel gestimuleerd wordt, dien je een mengsel
toe waarin flink wat koolstofdioxide zit komt in bloed perifere en centrale sensoren
meten dit ademhaling wordt gestimuleerd
6. E alle onderdelen zijn bekleed met trilhaarepitheel met slijmcellen (slijmvlies) wat vocht
afgeeft aan de ingeademde lucht
7. Uitgeademde lucht bevat meer zuurstof en minder koolstofdioxide dan lucht in de
longblaasjes. Dit komt doordat de lucht van de longblaasjes wordt gemengd met lucht uit
de luchtpijp en de bronchiën waarin veel zuurstof en weinig koolstofdioxide zit (er heeft
immers geen gaswisseling plaatsgevonden in die delen).
8. D de lucht moet door de cellen van het longblaasje (2 membranen) en door de cellen van
haarvat (2 membranen) en vervolgens de rode bloedcel in (1 membraan)
9. C Diffusiesnelheid hangt af van o.a. oppervlak (hoe groter , hoe groter) en het
concentratieverschil. Als er weinig bloed door de vaten stroomt, zal deze snel verzadigd
raken geen concentratieverschil geen diffusie
10. C daardoor veren de longen terug uitademing
11. C Lymfe (3) bevat vrijwel geen zuurstof (zuurstofloos bijna), de slagader (1) voert zuurstofarm
bloed aan en de haarvaten nemen het op (2)
12. B
13. C Iemand die hyperventileert heeft het gevoel dat hij te weinig zuurstof krijgt gaat sneller
ademen koolstofdioxide zakt ademcentrum minder geprikkeld krijgt nog meer het
gevoel dat hij te weinig adem haalt.
Door in- en uit te ademen zal de koolstofdioxideconcentratie van het bloed stijgen en zo
het ademcentrum geprikkeld worden de hyperventilerende persoon voelt dat z’n
lichaam wil ademhalen.
14. B Ze ververst haar longlucht vakaer dan nodig dus blijft er meer zuurstof achter dus stijgt de
concentratie 1 = goed. Door snel in en uit te ademen zal koolstofdioxidegehalte van
het bloed dalen minder prikkels om te ademen 2 juist. De druk in de longen
verandert niet want tegen elk CO2-molecuul wordt een O2-molecuul uitgewisseld 3 fout
15. C Bij het uitademen via de borstademhaling trekt de zwaartekracht de borstkas omlaag in
staande positie. Nu op z’n kop niet meer dus dat kost meer energie. Bij inademing via
middenrif gaat middenrif omlaag en helpt dus de zwaartekracht in staande positie. Op
z’n kop kost dat dus meer energie
16. C Lucht in longen van slachtoffer is zeer zuurstofarm en koolstofdioxiderijk omdat het niet
meer ververst wordt. Dus als je lucht inblaast met nog flink wat zuurstof en weinig
koolfstofdioxide zullen beide concentraties dus veranderen.
17. Bij het opstijgen neemt de druk in de longen af waardoor er ‘opgehoopt’ CO2 vanuit het
bloed naar de longen gaat. Er gaat echter geen O2 naar de longen want dat is al
verbruikt en dus zal de O2-druk wel afnemen.
18. B gassen gaan nooit via actief transport en osmose is verplaatsen van water
19. C daar ligt het nu eenmaal
20. A van zenuwstelsel naar spier (of klier) is altijd motorisch
21. B 2 is de binnenste tussenribspieren en die zorgen voor uitademing. Als de buitenste
tussenribspieren of het middenrif samentrekt adem je in.