Middeleeuwen 1170-1500
Renaissance 1500-1700
Verlichting (classicisme) 1700-1800 (Gouden Eeuw)
Romantiek (realisme) 1800-1880
Fin de siècle 1880-1905
Literatuur uit bovenstaande periodes is lastiger te begrijpen, omdat ze geschreven zijn in een andere
tijd en cultuur, waarin problemen anders werden opgelost en de onderlinge verhoudingen ook anders
lagen.
,Middeleeuwen 1170-1500
Nederlandse literatuur begint bij Hendrik van Veldeke, omdat we (in tegenstelling tot andere schrijvers
en werken uit die tijd) best veel over hem weten. Veel Middelnederlandse verhalen en gedichten zijn
verdwenen in de loop der tijd. Het Middelnederlands begint rond 1170 met Sint Servaeslegende van
Hendrik van Veldeke.
Edities/vormen van werken:
- facsimile-editie: fotografische herdruk,
- diplomatische editie: overtypen wat er staat, niets toevoegen (zoals interpunctie en hoofdletters),
- kritische editie: overtypen wat er staat én interpunctie en hoofdletters toevoegen,
- vertaling: huidig Nederlands.
Feodale piramide: de maatschappij is als een piramide opgebouw. Bovenaan staat God, de eigenaar
van de wereld, die gebieden leent aan leenmannen, die dat ook weer lenen aan diens leenmannen.
Middeleeuwse verhalen gaan daarom vaak over trouw en ontrouw: vertrouwen onderling was immers
belangrijk.
Personages noemen elkaar vaak neef o.i.d.: dat komt door de hiërarchie, andere leenmannen/heren
worden familie genoemd.
“Misdirected kiss”: misplaatste kus, bijvoorbeeld op de kont i.p.v. op de mond (Middeleeuwse humor).
Genres:
- Hoofse lyriek
Hendrik van Veldeke trad op op feesten en partijen als een soort dichter of zanger (vooral bij de hoge
adel). Hij schreef hoofse minnegedichten (uiten persoonlijk gevoel).
Het eerste gedicht van Van Veldeke begint met een zogenaamde tempus amoenus: beschrijving van
de liefdestijd. Een gedicht kan ook een locus amoenus bevatten: beschrijving van de liefdesplaats.
Hoofsheid: De hoofse cultuur is een gedragscode voor edelen en ridders, gedurende de 12e eeuw.
Een beschavingsoffensief voor gecultiveerd en beschaafd gedrag in plaats van ruw en agressief.
Literatuur krijgt hierdoor een hoge gebruiksfunctie: het werd gezien als een soort handleiding.
Belangrijkste thema in gedichten is hoofse liefde: een ridder verklaart de liefde aan een dame die
hoger in hiërarchie staat (zuiver en geestelijk, seks was uit den boze).
Hoofs taalgebruik: een metafoor gebruiken voor wat je wilt zeggen (“Hebban olla vogala...”).
Wijs hoofsheid aan in een gedicht van Hendrik van Veldeke: “Het is goede nouwe mare” beschrijft hoe
de etiquette/hoofsheid niet wordt nageleefd: hij handelde vanuit gevoel in plaats van verstand.
- Ridderverhalen
Een ridderromam is over het algemeen op rijm gezet en komt uit het Frans. Je leerde wat er van je
verwacht werd als aristocraat: normen en waarden.
Kenmerkend thema/motief in Karel ende Elegast (Karelroman): trouw/ontrouw aan de koning en het
christelijk geloof.
De abele spelen (o.a. Esmoreit) lijken op hoofse ridderromans, maar dan gedramatiseerd.
- Wereldlijke verhalen
Na elk abel spel volgt een klucht (o.a. Esmoreit en Lippijn), ofwel sotternie: onderwerpen in huiselijke
sfeer, vaak een ruzie tussen man en vrouw omdat één van beide een buitenechtelijke relatie heeft.
Mannen zijn doorgaans dom en vrouwen bazig. Een lachwekkende omgekeerde wereld.
- Verhalen met een geestelijke boodschap
Deze verhalen hebben dezelfde boodschap: vertrouw op God en alles komt goed. Hieronder valt de
legende Beatrijs: de hoofdpersoon heeft altijd gebeden tot Maria, daarom worden haar zonden
vergeven.
Het mirakelspel is een Middeleeuws geestelijk toneelstuk waarin de zonde van een mens centraal
staat, zoals Mariken van Nieumeghen. Thema’s: verleiding, zonde en vergeving.
Het moraal van geestelijke verhalen is dan ook: hoe zwaar je ook zondigt, bij oprecht berouw word je
altijd vergeven.
, - Dierenverhalen
Deze verhalen zijn gegoten in de vorm van een heldendicht (epos), zoals Vanden vos Reynaerde:
allegorie (dieren vertonen menselijke eigenschappen),
parodie (op literatuur uit die tijd, zelfde opbouw),
satire (commentaar op de maatschappij op spottende wijze).
Eén hoofdstuk van roman de Renart is onze Vanden vos Reynaerde en het zou zich afspelen nabij
Hulst en Antwerpen. De eerste letters van de laatste regels van het verhaal vormen ‘Bi Willeme’, wat
zou verwijzen naar de schrijver (acrostichon: gedicht waarvan de eerste letters van regels een woord
of zin vormen).
De Reynaert/de schrijver: spot met adel, geestelijkheid én boeren,
geschreven voor de adel, omdat zij het meest bespot worden,
maakt misbruik van menselijke zwakheden,
functioneerde waarschijnlijk aan het hof,
houdt het adellijk/geestelijk publiek een spiegel voor.
Kenmerkende opbouw: 1. Begint aan het hof
2. Reynaert wordt drie keer gedaagd
3. Dagers begeven zich ‘buiten weghe’ en dat gaat hen niet goed af
4. Samenzwering tegen de vorst
5. Eindigt met een rechtszaak (cyclische opbouw)
6. Eindigt aan het hof
(Dezelfde opbouw als Karel ende Elegast, maar Reynaert vertrekt aan het eind!)
- Didactiek
Ook didactische werken vielen onder literatuur, werken die we nu eerder als encyclopedie, studieboek
of instructie zouden betitelen: Der naturen bloemen van Jacob van Maerlant.
Aan het eind van de Middeleeuwen, vanaf ongeveer 1400, verzamelen auteurs zich in
rederijkerskamers: burgers in de vijftiende en zestiende eeuw die zich toelegden op de letteren in de
breedste zin des woords. Onder de naam van de kamer maken zij toneelstukken, liederen en
gedichten.
De rederijkers gebruikten frequent het refereyn als dichtvorm: een aan regels gebonden dichtvorm.
Refereynen werden geschreven in 1440-1650. Het hoogtepunt was rond 1450.
Kenmerken van een refereyn: lang gedicht (groter of gelijk aan 4 strofen),
één strofe is groter of gelijk aan 12 regels,
ingewikkelde rijmschema’s,
stokregel: de laatste regel van iedere strofe is hetzelfde (herhaling),
prince-strofe: de laatste strofe is opgedragen aan de prins, voorzitter
van de rederijkerskamer.
Refereyn int vroede: serieuze zaken
Refereyn int amoureuze: liefde
Refereyn int zotte: humor (motief: seks)
Middeleeuwse liedjes spreken ons niet aan, omdat ze gemaakt zijn voor mensen van toen.
In de Middeleeuwen was er eigenlijk geen verschil tussen gedichten en liedjes. Ze waren van dezelfde
waarde. Pas in de 17e eeuw ontstond die scheiding. Liedjesboeken werden minder serieus genomen,
daardoor minder uitgegeven en verkocht. Kleine liedboekjes waren wel populair.
Het Gruuthuse Manuscript (1395-1408): boek met 147 liedjes en 18 gedichten (en 7 gebeden).
Adellijke cultuur en hoofste literatuur, maar toch vind je er ‘boerse’ humor over pis, poep en seks.