Unit 1 Meta-theorieën
Deel 1
Ontwikkelingswetenschap = onderzoekt veranderingen en stabiliteit op meerdere gebieden
van psychologisch en sociaal functioneren.
Ontwikkeling is:
- Levenslang: we ontwikkelen ons ons hele leven
- Multidirectioneel en multidimensionaal: verschillende mensen volgen verschillende
ontwikkelingen in verschillend tempo
- Winst en verlies: op elke leeftijd verliezen en winnen we ontwikkeling
- Plasticiteit: het vermogen om een groot aantal ontwikkelingen te veranderen
- Historische en culturele context: bijv. waar je geboren bent en opgroeit
- Omgevings- en biologische factoren
- Multidisciplinair: vereist theorieën uit meerdere disciplines
Ontwikkelingssystemen van invloed:
Normatieve leeftijdsinvloeden = sociale ervaringen en biologische veranderingen
o.b.v. een specifieke leeftijdsgroep
Normatieve historische invloeden = periode waarin we geboren zijn verandert
onze ervaringen
Niet-normatieve invloeden = invloeden zoals immigratie of ongelukken die niet
per leeftijd of historie zijn georganiseerd.
Cohort = een groep mensen die geboren zijn in ongeveer dezelfde periode.
Ontwikkelingsdomeinen = we veranderen op fysiek, cognitief en psychosociaal gebied.
- Fysiek: lengte en gewicht
- Cognitief: intelligentie en taal
- Psychosociaal: emoties en relaties
Contextuele perspectieven = maatschappelijke contexten die onze ontwikkeling
beïnvloeden.
Bijv. SES om huishoudens in te delen o.b.v. hun gedeelde onderwijs-, inkomens- en
beroepsniveau.
Armoedegrens = als het inkomen van een gezin lager is dan deze drempel, dan leeft het gezin
in armoede.
Etnocentrisme = het geloof dat de cultuur waarin we zijn opgegroeid superieur is.
Cultuurrelativiteit = waardering voor culturele verschillen
Levensduur = de maximale leeftijd die iemand onder optimale omstandigheden kan
bereiken.
Levensverwachting = de gemiddelde leeftijd die een persoon geboren in een bepaalde
periode zal bereiken.
,Chronologische leeftijd = je leeftijd gebaseerd op het aantal jaren sinds je geboorte.
23 jaar geleden geboren, dus leeftijd is 23 jaar.
Biologische leeftijd = hoe snel het lichaam verandert.
Psychologische leeftijd = ons psychologisch aanpassingsvermogen in vergelijking met
anderen van onze chronologische leeftijd.
Sociale leeftijd = leeftijd gebaseerd op sociale normen of verwachtingen van de cultuur.
Periode Leeftijd
Prenataal Conceptie – geboorte
Baby-/peutertijd Geboorte – 2 jaar
Vroege jeugd 2 jaar – 6 jaar
Middel en late jeugd 6 jaar – pubertijd
Adolescentie Pubertijd – 18 jaar
Jong-volwassenheid 18 jaar – 25 jaar
Vroege volwassenheid 25 jaar – 40-45 jaar
Latere volwassenheid Vanaf 65 jaar
Meta-theorieën = reeksen veronderstellingen die mensen hebben over de aard van de mens
en de betekenis van ontwikkeling.
Een aantal veronderstellingen:
- Menselijke natuur: worden mensen geboren als blank slate of zijn ze goed/slecht?
- Nature/nurture: natuur/genen/biologie vs. opvoeding/omgeving/leren
- Continue vs. discontinue ontwikkeling: veranderen we geleidelijk of abrupt?
- Individuele vs. normatieve ontwikkeling: kiezen mensen hun ontwikkeling (actief)
of gebeurt dit door externe krachten (passief)?
- Stabiliteit vs. verandering: blijven mensen hetzelfde in hun leven of veranderen ze?
- Universaliteit vs. contextspecificiteit: is de ontwikkeling universeel of
persoonsgebonden?
Continue ontwikkeling = geleidelijk, als een boom die groeit
Discontinue ontwikkeling = abrupt, als een vlinder die zich ontpopt
Kritieke periode = leeftijdscategorie waarin bepaalde veranderingen nodig zijn voor een
‘normale’ ontwikkeling.
Gevoelige periode = leeftijdscategorie waarin specifieke ervaringen optimaal zijn voor een
‘normale’ ontwikkeling.
Domein-gemeen = het leren van iets levert ook voordelen op op andere gebieden.
bijv. gewichtheffen helpt je ook met armdrukken
Domein-specifiek = zegt dat als je op één gebied vooruitgang boekt, dit alleen op dat gebied
een verbetering veroorzaakt.
Verklaringsniveaus = verschillende niveaus die ontwikkeling beschrijven. Op alle niveaus
is er sprake van ontwikkeling als gevolg van verschillende factoren.
Ecologische perspectief = relaties begrijpen tussen het organisme dat zich ontwikkelt en de
omgevingssystemen én de relaties tussen die omgevingssystemen.
organisme: kind; omgevingssysteem: gezin en school
,Soorten meta-theorieën:
Meta-theorie; mensen als zaden = mensen worden geboren als zaden met vooraf
bepaalde genetica. De omgeving kan hen ondersteunen, maar niet veranderen
Mechanistische meta-theorie; mensen als machines = ontwikkeling is continu en
kan alleen beïnvloed worden door externe factoren.
Organismische meta-theorie; mensen als vlinders = ontwikkeling is discontinu en
is progressief en niet terug te draaien
=Constructivistische theorie van Piaget
Contextuele meta-theorie; tennisspel of dans metafoor = ontwikkeling kan continu
of discontinu zijn en beïnvloed worden door biologie of omgeving.
=Bio-ecologisch model van Bronfenbrenner
Deel 2
Preformationistische opvatting = kinderen zijn kleine volwassenen, omdat een embryo al
een piepklein mensje is die alleen nog maar in de omvang hoeft te groeien.
Locke: baby’s komen als een “blanco lei” (tabula rasa). Leren via de omgeving
Descartes (rationalist): de geest legt orde op aan de omgeving om deze te begrijpen.
het nativisme-empirisme debat
Jean-Jacques Rousseau: ontwikkeling volgens natuurlijk plan in verschillende fasen.
Arnold Gesell: ontwikkeling door activatie van genen, in vaste volgorde.
Maturationisten: denken dat ontwikkeling te maken heeft met je genen, en niet met je
omgeving.
Behavioristen: ontwikkeling is geleidelijk en voortdurend. Gedragsveranderingen door
ervaring/leren/omgeving.
klassieke en operante conditionering
Klassieke conditionering = leren door associaties (hond gaat kwijlen bij horen van
belletje, want belletje wordt geassocieerd met eten krijgen)
Operante conditionering = leren met beloningen en straffen (iemand geeft jou
een compliment voor je gedrag waardoor je het gedrag vaker toont)
Psychodynamische theorie van Freud = motivaties en persoonlijkheden zijn grotendeels
gevormd door ervaringen uit de baby- en kindertijd.
Componenten van een ontwikkelende persoonlijkheid:
- ID = instinctieve drang
- Ego = behoeften bevredigen door sociaal gepast gedrag (rationeel en realistisch)
- Superego = het geweten, maatschappelijke moraal
Vijf stadia van persoonlijke ontwikkeling volgens Freud:
Mondelinge fase (oral phase) = plezierige activiteiten, zoals eten
Anale fase (anal phase) = het bevredigen van behoeften uit leren stellen, zoals het
toilet gebruiken i.p.v. luier
Fallische fase (phallic phase) = nieuwsgierigheid naar gender en seksualiteit
Vertragingsfase (latency) = vermijding van relaties met leeftijdsgenoten van het
andere geslacht, seksuele driften nemen tijdelijk af
Genitale fase (genital phase) = ontstaan van seksuele verlangens die zich richten op
leeftijdsgenoten
, Psychosociale theorie van Erikson = ontwikkeling is 8 opeenvolgende stadia verspreid over
het leven
Leeftijd Psychosociale crisis Positieve oplossing
1 Geboorte – 18 Vertrouwen vs. wanvertrouwen Ontwikkeling van gevoel van
mnd. vertrouwen in verzorgers
2 18 mnd. – 3 jaar Autonomie vs. schaamte Leren waar wel en geen
controle over + vrije wil
3 3 – 6 jaar Initiatief vs. schuld Leren onafhankelijk te worden
door onderzoeken,
manipuleren en actie
ondernemen
4 6 – 12 jaar Industrie vs. inferioriteit Leren dingen correct uit te
voeren naar de regels van
anderen (bijv. school)
5 12 – 18 jaar Identiteit vs. rolverwarring Ontwikkeling goed
gedefinieerde en positieve kijk
op zichzelf
6 19 – 40 jaar Intimiteit vs. isolatie Ontwikkeling vermogen liefde
geven en ontvangen + lange
termijn-commitments vormen
7 40 – 65 jaar Generativiteit vs. stagnatie Ontwikkeling van interesse in
begeleiden van de
ontwikkeling van de volgende
generatie (kinderen krijgen)
8 65 – overlijden Ego integriteit vs. wanhoop Ontwikkeling acceptatie over
hoe ze geleefd hebben
Psychosociale crisissen = elke levensperiode heeft een unieke uitdaging/crisis die de
persoon onder ogen moet zien.
Succesvolle ontwikkeling: op een positieve manier met de crisissen om te gaan (anders
belemmert dit het vermogen om latere crisissen op te lossen).
Ethologische theorie = gedrag moet worden gezien in de (evolutionaire) context waarin het
zich voordoet.
Sociale leertheorie van Bandura = leren door observeren en imiteren van anderen.
4 cognitieve processen voor observerend leren:
Aandacht: zorgvuldig bestuderen
Retentie: onthouden
Herhalen: kunnen imiteren
Motivatie: willen imiteren
Wederkerig determinisme = wisselwerking tussen onze persoonlijkheid, de manier waarop
wij gebeurtenissen interpreteren & hoe die gebeurtenissen ons beïnvloeden
Cognitieve theorie van Piaget = richt zich op hoe onze mentale processen in de loop van de
tijd veranderen. De manier waarop kinderen denken verschilt van de manier van denken bij
volwassenen.