• Waardoor ontstonden zelfstandige stadstaten in Griekenland?
o Landbouwstedelijke samenleving, maar niet 1 staat, meer dan 150 kleine staten
o Stadstaat: staat die bestaat uit een stad en de gebieden eromheen
o Elke stadstaat was zelfstandig (als een persoon of gebied voor zichzelf zorgt), ze
zorgde voor zichzelf met eigen regering en leger
o Veel Griekse steden waren ontstaan rond een akropolis
o Akropolis: rotsheuvel waar inwoners naartoe konden vluchtten bij gevaar, later
werden er tempels op gebouwd
• Hoe verspreidden de Grieken zich over zo'n groot gebied?
o Kolonies: gebied waar een groep mensen zich vestigt
o Bevolking groeide ➞ niet genoeg voedsel ➞ groepen mensen weg om nieuwe
nederzetting te stichten ➞ nieuwe kolonie
o Kolonies waren zelfstandige stadstaten
• Welke contacten hadden de Grieken met elkaar en andere volken?
o Agora: het centrale plein van de stad, hier was de markt, tempels en
regeringsgebouwen
o Rond de agora woonden en werkten de ambachtslieden
o Belangrijkste bestaansmiddelen:
▪ Landbouw
▪ Handel
▪ Nijverheid (producten maken)
▪ Visserij
o Door kolonisatie groeide de economie
o Handelde met staten rond de Middellandse en Zwarte zee
o Handel ➞ groeide contact met andere volken ➞ invloed (als iets veranderd door
iets anders) op culturen
▪ Andere culturen hadden ook invloed op de Grieken, waardoor het een
geldeconomie (economie waarin geld wordt gebruikt) werd
• Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de samenleving in Athene?
o 4 sociale groepen met verschillende rechten
o 1. Volwassen mannen die in Athene geboren zijn
▪ Meer grond = meer aanzien
▪ In loondienst = minder aanzien
o 2. Migranten (een of beide ouders ergens anders geboren)
▪ Mochten geen grond bezitten
▪ Werkten in handel of nijverheid
o 3. Vrouwen
▪ Mochten geen grond bezitten
▪ Zorgden voor de huishouding en kinderen
o 4. Slaven
▪ Belangrijk voor de economie
▪ Vaak krijgsgevangene geweest
• Wat zijn de belangrijkste kenmerken van Sparta?
o Sterk leger
o Geen akropolis
o 3 sociale groepen
, o 1. Spartanen (mannen en vrouwen)
▪ De mannen waren militairen (1. Persoon die in het leger werkt, 2. heeft te
maken met het leger) (vanaf 7 jaar opleiding)
▪ Meisjes geschoold in poëzie en muziek
o 2. Overwonnenen ("heloten")
▪ Nakomelingen van de eerste bewoners van het gebied wat de Spartanen
veroverd hadden
▪ Overworpen (onderwerpen: in je macht krijgen, onder je bestuur brengen)
boeren moesten als een soort slaven voedsel produceren
o 3. Omwonenden
▪ Eigen bestuur maar ze betaalden belasting en leverden soldaten aan Sparta