Oefenvragen
1. Wat is geen manier om mentale processen te meten?
a. Emotie meten zoals bijvoorbeeld zweet
b. Kijken naar ervaringen
c. Observaties/waarnemingen
d. Gedrag meten
2. Het functionalisme beschouwde gedrag als …, omdat het leidde tot overleven.
a. Nutteloos
b. Moeilijk
c. Belangrijk
d. Doelgericht
3. Welk model in de klinische psychologie zag abnormaal gedrag als een ziekte die met
medicatie behandeld kon worden?
a. Psychologisch model
b. Medisch model
c. Psychiatrisch model
4. Waarom kreeg Freuds psychodynamische theorie, gebaseerd op introspectie, veel kritiek?
a. Omdat het niet klopte
b. Omdat het niet meetbaar was
c. Omdat het niet wetenschappelijk was
5. Het experiment waarbij een hond kwijlde bij het horen van een belletje, is een vorm van?
a. Klassieke conditionering
b. Operante conditionering
c. Gestaltpsychologie
d. Structuralisme
6. Wat stelde de law of effect van Thorndike?
a. Dat mensen ook geconditioneerd kunnen worden met belonen en straffen
b. Dat alleen dieren geconditioneerd kunnen worden door belonen en straffen
c. Dat gedragingen met onplezierige uitkomsten vaker zullen voorkomen dan
gedragingen met plezierige uitkomsten
d. Dat gedragingen met plezierige uitkomsten vaker zullen voorkomen dan gedragingen
met onplezierige uitkomsten
7. Wat is geen psychologisch perspectief?
a. Ontogenetische psychologie
b. Klinische psychologie
c. Ontwikkelingspsychologie
d. Biologische psychologie
8. Wat is geen biologische verklaring voor gedrag?
a. Ontogenetische verklaring
b. Functionele verklaring
c. Klinische verklaring
d. Evolutionaire verklaring
9. Wat is groter, neuronen of glia?
a. Neuronen zijn groter
b. Glia zijn groter
10. Wat komt vaker voor, neuronen of glia?
a. Neuronen komen vaker voor
b. Glia komen vaker voor
11. Wat is genetic drift?
a. Genen verspreiden zich niet
1. Wat is geen manier om mentale processen te meten?
a. Emotie meten zoals bijvoorbeeld zweet
b. Kijken naar ervaringen
c. Observaties/waarnemingen
d. Gedrag meten
2. Het functionalisme beschouwde gedrag als …, omdat het leidde tot overleven.
a. Nutteloos
b. Moeilijk
c. Belangrijk
d. Doelgericht
3. Welk model in de klinische psychologie zag abnormaal gedrag als een ziekte die met
medicatie behandeld kon worden?
a. Psychologisch model
b. Medisch model
c. Psychiatrisch model
4. Waarom kreeg Freuds psychodynamische theorie, gebaseerd op introspectie, veel kritiek?
a. Omdat het niet klopte
b. Omdat het niet meetbaar was
c. Omdat het niet wetenschappelijk was
5. Het experiment waarbij een hond kwijlde bij het horen van een belletje, is een vorm van?
a. Klassieke conditionering
b. Operante conditionering
c. Gestaltpsychologie
d. Structuralisme
6. Wat stelde de law of effect van Thorndike?
a. Dat mensen ook geconditioneerd kunnen worden met belonen en straffen
b. Dat alleen dieren geconditioneerd kunnen worden door belonen en straffen
c. Dat gedragingen met onplezierige uitkomsten vaker zullen voorkomen dan
gedragingen met plezierige uitkomsten
d. Dat gedragingen met plezierige uitkomsten vaker zullen voorkomen dan gedragingen
met onplezierige uitkomsten
7. Wat is geen psychologisch perspectief?
a. Ontogenetische psychologie
b. Klinische psychologie
c. Ontwikkelingspsychologie
d. Biologische psychologie
8. Wat is geen biologische verklaring voor gedrag?
a. Ontogenetische verklaring
b. Functionele verklaring
c. Klinische verklaring
d. Evolutionaire verklaring
9. Wat is groter, neuronen of glia?
a. Neuronen zijn groter
b. Glia zijn groter
10. Wat komt vaker voor, neuronen of glia?
a. Neuronen komen vaker voor
b. Glia komen vaker voor
11. Wat is genetic drift?
a. Genen verspreiden zich niet