1
Oefenvragen
1. Om welke reden is het zicht haast onbelemmerd?
a. De receptoren zijn dicht op elkaar gepakt en er zijn daardoor nauwelijks
bloedvaten en ganglioncellen in de fovea
b. De fovea ligt dicht bij de retina
c. De ganglioncellen zijn dicht op elkaar gepakt en er zijn daardoor nauwelijks
bloedvaten en ganglioncellen in de fovea
d. De fovea ligt ver van de retina
2. Hoe noem je het opslaan van informatie in het langetermijngeheugen?
a. Retrieval
b. Encoding
c. Priming
3. Wat bevindt zich in het episodisch geheugen?
a. Algemene feitenkennis
b. Informatie over opgeslagen automatische processen
c. Persoonlijke ervaringen
4. Laterale inhibitie is een … van activiteit in een neuron door activiteit bij dichtbij
liggende neuronen.
a. Toename
b. Afname
5. Voor welk licht dienen kegels en staven?
a. Kegels voor fel licht en staven voor gedimd licht
b. Kegels en staven voor gedimd licht
c. Kegels en staven voor fel licht
d. Kegels voor gedimd licht en staven voor fel licht
6. Welk structuurverschil is er bij mensen met amusia in vergelijking met mensen zonder
amusia?
a. Minder cellen in de auditieve cortex
b. Minder verbindingen tussen de auditieve cortex en de frontale cortex
c. Geen auditieve receptoren in het binnenste oor
d. Cellen in de auditieve cortex met dezelfde voorkeur voor tonen gaan niet bij
elkaar zitten en er wordt geen tonotopic map gevormd.
7. Wat is geen manier om geluid te lokaliseren?
a. Verschil in time of arrival
b. Verschil in intensiteit
c. ‘phase difference’ voor geluiden tot ongeveer 1500Hz
d. Verschil in toonhoogte
8. Wat is prosopagnosia?
a. Het onvermogen om gezichten te herkennen
b. Het onvermogen om horizontale lijnen te zien
c. Het kunnen herkennen van noten door alleen te luisteren
d. Het hebben van meer smaakpapillen dan gemiddeld
9. Welke soorten geheugen kent het expliciet geheugen?
a. Procedureel, episodisch en semantisch geheugen
b. Autobiografisch en semantisch geheugen
c. Subliminal priming, procedureel en episodisch geheugen
d. Semantisch, episodisch en autobiografisch geheugen
10. Wat zijn de juiste eigenschappen van chuncking?
a. De capaciteit blijft gelijk, je kunt makkelijker informatie opslaan
Oefenvragen
1. Om welke reden is het zicht haast onbelemmerd?
a. De receptoren zijn dicht op elkaar gepakt en er zijn daardoor nauwelijks
bloedvaten en ganglioncellen in de fovea
b. De fovea ligt dicht bij de retina
c. De ganglioncellen zijn dicht op elkaar gepakt en er zijn daardoor nauwelijks
bloedvaten en ganglioncellen in de fovea
d. De fovea ligt ver van de retina
2. Hoe noem je het opslaan van informatie in het langetermijngeheugen?
a. Retrieval
b. Encoding
c. Priming
3. Wat bevindt zich in het episodisch geheugen?
a. Algemene feitenkennis
b. Informatie over opgeslagen automatische processen
c. Persoonlijke ervaringen
4. Laterale inhibitie is een … van activiteit in een neuron door activiteit bij dichtbij
liggende neuronen.
a. Toename
b. Afname
5. Voor welk licht dienen kegels en staven?
a. Kegels voor fel licht en staven voor gedimd licht
b. Kegels en staven voor gedimd licht
c. Kegels en staven voor fel licht
d. Kegels voor gedimd licht en staven voor fel licht
6. Welk structuurverschil is er bij mensen met amusia in vergelijking met mensen zonder
amusia?
a. Minder cellen in de auditieve cortex
b. Minder verbindingen tussen de auditieve cortex en de frontale cortex
c. Geen auditieve receptoren in het binnenste oor
d. Cellen in de auditieve cortex met dezelfde voorkeur voor tonen gaan niet bij
elkaar zitten en er wordt geen tonotopic map gevormd.
7. Wat is geen manier om geluid te lokaliseren?
a. Verschil in time of arrival
b. Verschil in intensiteit
c. ‘phase difference’ voor geluiden tot ongeveer 1500Hz
d. Verschil in toonhoogte
8. Wat is prosopagnosia?
a. Het onvermogen om gezichten te herkennen
b. Het onvermogen om horizontale lijnen te zien
c. Het kunnen herkennen van noten door alleen te luisteren
d. Het hebben van meer smaakpapillen dan gemiddeld
9. Welke soorten geheugen kent het expliciet geheugen?
a. Procedureel, episodisch en semantisch geheugen
b. Autobiografisch en semantisch geheugen
c. Subliminal priming, procedureel en episodisch geheugen
d. Semantisch, episodisch en autobiografisch geheugen
10. Wat zijn de juiste eigenschappen van chuncking?
a. De capaciteit blijft gelijk, je kunt makkelijker informatie opslaan