Oefenvragen Blok 2 Bedreigingen van gezondheid
Taak 6
1. Wat is intrinsieke motivatie en wat is extrinsieke motivatie?
Intrinsieke motivatie komt uit de persoon zelf. Extrinsieke motivatie is een drive
veroorzaakt door iets wat buiten de persoon ligt.
2. Welke 5 soorten beliefs heb je?
Cognitieve beliefs: kennis.
Affectieve beliefs: emoties en gevoel.
Conatieve beliefs: gedrag/neiging in actie te komen.
Instrumentele beliefs: middelen/wat bereik je ermee?
Experimentele beliefs: ervaring.
3. Wat houdt de subjectieve norm in?
De verwachtingen van belangrijke anderen.
4. Wat houden normative beliefs, injunctive beliefs en motivation to comply in?
Normative beliefs: verwijst naar wat een individu denkt dat anderen doen in die situatie.
Injunctive beliefs: verwijst naar wat een individu denkt dat anderen goed of afkeuren in
een bepaalde situatie:
Motivation to comply: in hoeverre een individu van plan is zich wat aan te trekken van de
verwachtingen van anderen.
5. Wat houdt modelling in?
Het leren door andermans gedrag te observeren.
6. Uit welke drie dimensies van verwachtingen bestaat de eigen-effectiviteitsverwachting van
Bandura?
Magnitude: inschatting moeilijkheidsgraad van de vaardigheden, die nodig zijn om het
gedrag uit te voeren.
Generality: inschatting van de problemen die het gedrag met zich mee kan brengen.
Strength: mate van vertrouwen om gedrag uit te kunnen voeren.
7. Wat zijn attributies?
Oorzaken waaraan men zijn gebrek aan succes toeschrijft.
8. Wat is een stabiele oorzaak en een niet stabiele oorzaak als reden waarom gedrag niet is gelukt?
Stabiele oorzaak: falen toeschrijven aan zichzelf.
Niet stabiele oorzaak: falen toeschrijven aan andere omstandigheden.
9. Wat is het verschil tussen de eigen-effectiviteitsverwachting van Bandura en de waargenomen
gedragscontrole van Ajzen en Fishbein?
Taak 6
1. Wat is intrinsieke motivatie en wat is extrinsieke motivatie?
Intrinsieke motivatie komt uit de persoon zelf. Extrinsieke motivatie is een drive
veroorzaakt door iets wat buiten de persoon ligt.
2. Welke 5 soorten beliefs heb je?
Cognitieve beliefs: kennis.
Affectieve beliefs: emoties en gevoel.
Conatieve beliefs: gedrag/neiging in actie te komen.
Instrumentele beliefs: middelen/wat bereik je ermee?
Experimentele beliefs: ervaring.
3. Wat houdt de subjectieve norm in?
De verwachtingen van belangrijke anderen.
4. Wat houden normative beliefs, injunctive beliefs en motivation to comply in?
Normative beliefs: verwijst naar wat een individu denkt dat anderen doen in die situatie.
Injunctive beliefs: verwijst naar wat een individu denkt dat anderen goed of afkeuren in
een bepaalde situatie:
Motivation to comply: in hoeverre een individu van plan is zich wat aan te trekken van de
verwachtingen van anderen.
5. Wat houdt modelling in?
Het leren door andermans gedrag te observeren.
6. Uit welke drie dimensies van verwachtingen bestaat de eigen-effectiviteitsverwachting van
Bandura?
Magnitude: inschatting moeilijkheidsgraad van de vaardigheden, die nodig zijn om het
gedrag uit te voeren.
Generality: inschatting van de problemen die het gedrag met zich mee kan brengen.
Strength: mate van vertrouwen om gedrag uit te kunnen voeren.
7. Wat zijn attributies?
Oorzaken waaraan men zijn gebrek aan succes toeschrijft.
8. Wat is een stabiele oorzaak en een niet stabiele oorzaak als reden waarom gedrag niet is gelukt?
Stabiele oorzaak: falen toeschrijven aan zichzelf.
Niet stabiele oorzaak: falen toeschrijven aan andere omstandigheden.
9. Wat is het verschil tussen de eigen-effectiviteitsverwachting van Bandura en de waargenomen
gedragscontrole van Ajzen en Fishbein?