Paragraaf 2.1 Spanning en stroomsterkte
Stroomsterkte
Elektronen gaan van de minpool van de spanningsbron naar de pluspool.
Volgens afspraak gaat de elektrische stroom van de plus- naar de minpool.
Elektronen hebben een negatieve elektrische lading.
Elektrische stroom bestaat dus uit bewegende lading.
Stroomsterkte: de hoeveelheid lading die per seconde één punt in de stroomkring passeert.
De grootte van de lading van één elektron is 1,602 x 10-19 coulomb (C).
Deze lading is het elementaire ladingsquantum e dit is de kleinst mogelijke lading
die in de natuur voorkomt.
Je drukt de stroomsterkte I uit in ampère (1 A = 1 C s-1).
Spanning
De spanningsbron geeft de elektronen elektrische energie mee.
In een lampje wordt de elektrische energie van de elektronen omgezet in licht en warmte.
Hoe groter de spanning van de spanningsbron, hoe meer energie de elektronen meekrijgen.
De spanning is gelijk aan de hoeveelheid afgegeven elektrische energie per coulomb lading.
De spanning U wordt gemeten in volt (1 V = 1 J C-1).
De spanning over een elektrische component (bijv. een lampje) is gelijk aan de hoeveelheid
energie die de component per coulomb lading omzet.
Weerstand
Een apparaat dat de stroom gemakkelijk doorlaat, heeft een kleine elektrische weerstand.
De eenheid van weerstand R is ohm (Ω).
Als de weerstand van een component in een schakeling constant is, is er een recht evenredig
verband tussen de spanning over en de stroomsterkte in de component. Dit verband heet de
wet van Ohm.
Grafiek is een rechte lijn door de oorsprong.
Ohmse weerstand: een component waarvan de weerstand constant is.
Niet-ohmse weerstand: componenten waarvan de weerstand niet constant is.
Grafiek is geen rechte lijn.
Stroomsterkte
Elektronen gaan van de minpool van de spanningsbron naar de pluspool.
Volgens afspraak gaat de elektrische stroom van de plus- naar de minpool.
Elektronen hebben een negatieve elektrische lading.
Elektrische stroom bestaat dus uit bewegende lading.
Stroomsterkte: de hoeveelheid lading die per seconde één punt in de stroomkring passeert.
De grootte van de lading van één elektron is 1,602 x 10-19 coulomb (C).
Deze lading is het elementaire ladingsquantum e dit is de kleinst mogelijke lading
die in de natuur voorkomt.
Je drukt de stroomsterkte I uit in ampère (1 A = 1 C s-1).
Spanning
De spanningsbron geeft de elektronen elektrische energie mee.
In een lampje wordt de elektrische energie van de elektronen omgezet in licht en warmte.
Hoe groter de spanning van de spanningsbron, hoe meer energie de elektronen meekrijgen.
De spanning is gelijk aan de hoeveelheid afgegeven elektrische energie per coulomb lading.
De spanning U wordt gemeten in volt (1 V = 1 J C-1).
De spanning over een elektrische component (bijv. een lampje) is gelijk aan de hoeveelheid
energie die de component per coulomb lading omzet.
Weerstand
Een apparaat dat de stroom gemakkelijk doorlaat, heeft een kleine elektrische weerstand.
De eenheid van weerstand R is ohm (Ω).
Als de weerstand van een component in een schakeling constant is, is er een recht evenredig
verband tussen de spanning over en de stroomsterkte in de component. Dit verband heet de
wet van Ohm.
Grafiek is een rechte lijn door de oorsprong.
Ohmse weerstand: een component waarvan de weerstand constant is.
Niet-ohmse weerstand: componenten waarvan de weerstand niet constant is.
Grafiek is geen rechte lijn.