Kennismaking Onderzoeksmethoden en Statistiek (KOM)
Universiteit Utrecht
Eindtentamen (deeltentamen 2)
Samenvatting én aantekeningen hoorcolleges
Inhoudsopgave
Kwalitatief onderzoek………………………………………………...2
Correlationeel onderzoek……………………………………………..7
Experimenteel onderzoek……………………………………………11
Wetenschappelijke integriteit………………………………………..14
Aantekeningen hoorcolleges………………………………………...16
, 2
Kwalitatief onderzoek
Empiristen: baseren conclusies op systematische observaties.
Producenten van onderzoek: de mensen die het onderzoek uitvoeren.
Consumenten van onderzoek: de mensen die het onderzoek lezen en toepassen in de
praktijk.
Evidence-based treatment = vorm van therapie die wordt ondersteund door
wetenschappelijk onderzoek.
Theorie-data cyclus = manier van dataverzameling om een theorie te testen.
1.Theorie: beweringen over relatie tussen variabelen
2.Onderzoeksvraag: SPICE
3.Onderzoeksontwerp
4.Hypothesen: voorspelling van het resultaat
5.Data (analyse): set van observaties.
Kenmerken van een goede theorie:
- Ondersteund door data
- Falsifieerbaar: moet weerlegbaar kunnen zijn
- Spaarzaam: eenvoudig, niet ingewikkeld maken als dat niet nodig is
- Probabilistisch: resultaten gelden niet altijd voor iedereen
Dataverzameling bij kwalitatief onderzoek:
- Interview
- Observatie
- Focusgroep
- Bestaande data
Typen observatieonderzoek
- Participerend vs. niet-participerend
onderzoeker is deelnemer vs. onderzoeker kijkt van buitenaf
- Verhuld vs. onverhuld
het is niet bekend vs. het is wel bekend dat er geobserveerd wordt.
- Systematisch vs. niet-systematisch
van te voren vastgelegd vs. niet van te voren vastgelegd wat er geobserveerd wordt.
Bij observaties kan er sprake zijn van reactiviteit: resultaten worden beïnvloed door de
aanwezigheid van de onderzoeker. Reactiviteit kan ook aanwezig zijn bij een interview of een
focusgroep, maar niet bij bestaande data.
Fundamenteel onderzoek = onderzoek met als doel om kennis op te doen (theorie).
Toegepast onderzoek = onderzoek met als doel om oplossingen toe te kunnen passen
(praktijk).
Translationeel = de opgedane kennis als oplossing toepassen (van theorie naar praktijk).
Confounds = alternatieve verklaringen voor een theorie.
Confederate = nep proefpersoon
Biased = bevooroordeeld
Cognitieve bias = een conclusie accepteren, omdat het logisch klinkt. Wordt ook wel
beschikbaarheidsheuristiek genoemd.
, 3
Present/present bias = alleen kijken naar dat wat aanwezig is en negeren wat afwezig
is.
Confirmation bias = alleen kijken naar dat wat overeenkomt met eigen overtuigingen.
Submission bias = alleen studies met positieve resultaten publiceren.
Bias blind spot = denken dat alleen andere bevooroordeeld zijn “ik ben niet
biased”.
Onderzoek kan worden gepubliceerd in:
- Journals
- Hoofdstuk in een boek
- Leerboeken voor studenten
Soorten artikelen:
Empirische artikelen = rapporteren voor het eerst resultaten van een onderzoek.
Review artikel = een samenvatting van verschillende studies.
Meta-analyse = combineert resultaten van studies.
Onderdelen van een artikel:
Samenvatting (abstract) introductie methoden resultaten discussie referenties
(bronnen)
Etnografie = participerende observatie. Kijken vanuit het perspectief van de mensen die
onderzocht worden.
Rollen van een etnograaf:
Complete participant = is in het geheim onderdeel van de groep die geobserveerd wordt.
Risico’s/nadelen:
o Niet ethisch
o Going native: onderzoeker is teveel betrokken bij de groep
o Reactiviteit: gedrag van de deelnemers veranderen.
Participerende observer = het is bekend dat de onderzoeker deel van de groep is om te
observeren. Informed consent is hierbij belangrijk (toestemming van deelnemers).
Gevolg:
o Hawthorn effect: deelnemers zijn geneigd alleen het beste gedrag te laten zien.
Bijvoorbeeld door niet te roken in de pauze, terwijl je dat normaal wel doet.
Observant = het is geen geheim dat de deelnemers geobserveerd worden, de onderzoeker
is niet onderdeel van de groep maar staat er buiten.
Verborgen observer = de deelnemers weten niet dat ze geobserveerd worden.
Systematische observatie = onderzoeker volgt een checklist/schema tijdens het observeren,
deze is van te voren op- en vastgesteld.
Cognitieve dissonantie = acties zijn tegenstrijdig aan de ideeën erover. Zoals weten dat roken
slecht is, maar het toch doen. Of, tegen kinderarbeid zijn, maar wel kleding van de Primark
kopen.
Grounded theory = data verzamelen zonder een vooraf opgestelde hypothese.
Extended case study approach = aan een onderzoek beginnen met een theorie die
uiteindelijk wordt bekrachtigt of aangepast.