hygiene)
Introductie
Regelmatig regelmatig geïnspecteerd of infectie-preventiemaatregelen door de
tandartspraktijken worden nageleefd.
Hepatitis B en C (virus)
• Europa: 20-30 miljoen mensen
Hepatitis C:
• Enorm probleem: geen vaccinatie (hepatitis B wel!)
• Late diagnose: patiënt merkt weinig; gevolg is vaak levertransplantatie
• Dure behandeling à anti-viral therapy Vosevi
Ziekten waarvan in de tandartspraktijk voorkómen moet worden dat ze worden
overgedragen: HIV (aids), TBC (tuberculose), Hepatitis B en C,
Alle infectie-preventiemaatregelen zijn tot stand gekomen onder de epidemie van HIV. HIV is
niet eens de belangrijkste ziekte om te voorkomen in de tandartspraktijk. Hepatitis B en C
veel erger.
Tuberculose (bacterium)
• 1/3 van de wereldwijde populatie is geïnfecteerd met TBC.
• In NL: +/- 800 besmettingen (2/3 foreigners).
Infectierisico: risico tot overdracht van de geïnfecteerde patiënt naar een niet-immuun
persoon tegen die ziekte.
• Infectierisico van hepatitis B is relatief vele hoger in vergelijking met andere ziekten,
zoals hepatitis C en HIV.
Risico bij prikaccident met patiënt waarvan niet bekend is of deze ziekte heeft = lager dan
risico bij prikaccident met patiënt waarvan wel bekend is of hij ziek is..
Bacteriën en virussen
Grootte
• Bacteriën: 0,3-10 µm
• Virussen: 0,01-0,25 µm (veel kleiner dan bacteriën)
Groei
• Bacteriën: groeien geheel zelfstandig. Delen zich exponentieel. Als
groeiomstandigheden ongunstig zijn, dan stopt de groei.
• Virussen: groeien niet zelfstandig; hebben een gastcel nodig. Eerst moet het virus
een (eukaryote) cel binnendringen. Vervolgens komt er erfelijk materiaal vrij en vindt
1
, er DNA-replicatie plaats. Dan worden er eiwitten gesynthetiseerd, waaruit nieuwe
bacteriën ontstaan.
Bacteriën overleven langer dan virussen. Virussen gaan vrij snel dood nadat ze uit de
eukaryote cel zijn getreden (na +/- een half uur)
Manieren van infectieoverdracht.
• Cross contaminatie: bacteriën komen vanuit de omgeving op/in het lichaam terecht,
maar dit hoeft nog geen ziekte te veroorzaken.
• Cross-infectie: de bacterie is in staat geweest zich op/in het lichaam te
vermenigvuldigen tot grotere aantallen.
Infectieketen
Infectieketen moet geheel gelopen worden wil er een infectie ontwikkelen in een persoon.
1. Infectieuze microben: bacterie, virus, parasiet etc.
2. Bron van infectie (reservoir): mensen, dieren, onzuivere
oppervlakten.
3. Uitweg voor microben (uittreden): bv.
spijsverteringskanaal, geslachtsorganen, wonden aan de
huid, lichaamssappen (bloed), niezen en hoesten.
4. Manier van transmissie (overdracht):
o Direct contact
o Indirect contact: via tussenstap, zoals
tandartsinstrumentarium.
o Druppeltjes: grote druppels (5-10 µm) die minder
dan 1 m afstand in de lucht afleggen. Nog grotere
druppels vallen door de zwaartekracht vrij snel op
de grond, wat een lager infectierisico geeft.
o Airborne: druppels (kleiner dan 5-10 µm) die
meer dan 1 µm kunnen overbruggen. Blijven vrij
lang in de lucht zweven. Zullen bij inademing
infectie kunnen veroorzaken als ze virusdeeltjes
bevatten.
5. Ingang voor microben (binnentreden): schadelijke
microben hebben een ingang nodig in het lichaam van
het nieuwe slachtoffer. Plaatsen van binnentreden zijn
vaak gelijk als plaatsen van uittreden.
o Tot dit punt is contaminatie opgetreden. Of er
infectie optreedt, is afhankelijk van de volgende
stappen.
6. Toestand van de gastheer: de gastheer is vatbaarder als
deze een verminderd immuunsysteem heeft (bv. door medicijngebruik).
2