Inleiding goederenrecht
Week 1
Goederenrecht en verbintenissenrecht samen = vermogensrecht
Verbintenissenrecht: op geld waardeerbare relatie tussen rechtssubjecten
(natuurlijke personen of rechtspersonen)
Goederenrecht: op geld waardeerbare relatie tussen een rechtssubject en een
rechtsobject (= goed)
Goederen = alle zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW)
- zaken (art. 3:2 BW art. 3:2a BW) Boek Phillips is verschenen VOOR artikel a
in de wet kwam.
roerend = zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplanting, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de
grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door de vereniging met andere
gebouwen en werken. (portacabin arrest)
onroerend = alle zaken die niet onroerend zijn(3:3 BW)
- bestanddeelvorming Art. 3:4 BW: (arrest fabriekshalapparatuur)
lid 1 –op grond van verkeersopvattingen = moet met elkaar functioneren.
(computer en beeldscherm kunnen niet zonder elkaar) Open normen, kunnen in
de loop der jaren veranderen.
lid 2 – op grond van materiele gehechtheid = wanneer het bestandsdeel weg
wordt gehaald en er schade ontstaat (badkamer met ingebouwd ligbad. Als dit
wordt weggehaald heel badkamer schade)
, Bestanddeel vormt qua kwalificatie de hoofdzaak. (huis is onroerend, badkamer
dus ook. Fiets is roerend, fietsbel dus ook)
- vermogensrechten ( art. 3:6 BW)
- eigendomsrecht
rechten op een naam of toonder
Indeling vermogensrechten
Absolute rechten = rechten die een persoon op een goed kan hebben. Kan
zowel het recht op een zaak als het recht op vermogen zijn. Geldt voor iedereen.
De rechthebbende kan bepalen wat hij met het goed doet.
Er zijn 8 absolute rechten:
1. Vruchtgebruik ( art 3:201 BW) = beperkte rechten
2. Pand (art. 3:227 BW) = beperkte rechten
3. Hypotheek (art. 3:227 BW) = beperkte rechten
4. Eigendom ( art. 5:1 BW) = Volledige rechten
5. Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW) = beperkte rechten
6. Erfpacht (art. 5:85 BW) = beperkte rechten
7. Opstal (art. 5:101 BW) = beperkte rechten
8. Appartement (art. 5:106 BW) = beperkte rechten
Absolute rechten hebben 4 kenmerken:
- Zaaksgevolg (= het absoluut recht op een goed blijft bestaan, ook al bevindt
dat goed zich niet meer in de macht van de rechthebbende. )
- Prioriteitsbeginsel (= Wanneer er meer dan één absoluut recht op een goed rust
gaat het oudere absolute recht vóór het nieuwere absoluut recht)
- Bevoorrechte positie (= mag eigendom terugpakken bij een faillissement
- Exclusiviteit (= Iedere derde moet zich onthouden van inbreuk, niemand heeft
het recht iets te doen met een eigendom van een ander. Het is op iedereen van
toepassing)
of
Relatieve rechten = persoonlijke rechten. Rechten die slechts tegenover een
bepaalde persoon werken; gelden niet voor een ieder.
- Vorderingsrechten
Absolute rechten zijn onder te verdelen in:
Volledig recht
- Eigendomsrecht
- Zakelijk recht
Beperkte rechten
- Genotsrechten = rechten die de rechthebbende gebruiksgenot verschaffen
van de zaak of het recht waarop ze rusten
- Zekerheidsrechten = rechten die de rechthebbende zekerheid bieden ter
voldoening van een vordering die hij op een schuldenaar heeft; de
rechthebbende is dus niet bevoegd om het goed waarop zekerheidsrecht rust te
gebruiken. ‘zekerheid met terugbetaling van’
Registergoederen en niet- registergoederen
Registergoederen (art. 3:10 BW) = in de eerste plaats goederen waarbij voor
Week 1
Goederenrecht en verbintenissenrecht samen = vermogensrecht
Verbintenissenrecht: op geld waardeerbare relatie tussen rechtssubjecten
(natuurlijke personen of rechtspersonen)
Goederenrecht: op geld waardeerbare relatie tussen een rechtssubject en een
rechtsobject (= goed)
Goederen = alle zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW)
- zaken (art. 3:2 BW art. 3:2a BW) Boek Phillips is verschenen VOOR artikel a
in de wet kwam.
roerend = zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplanting, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de
grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door de vereniging met andere
gebouwen en werken. (portacabin arrest)
onroerend = alle zaken die niet onroerend zijn(3:3 BW)
- bestanddeelvorming Art. 3:4 BW: (arrest fabriekshalapparatuur)
lid 1 –op grond van verkeersopvattingen = moet met elkaar functioneren.
(computer en beeldscherm kunnen niet zonder elkaar) Open normen, kunnen in
de loop der jaren veranderen.
lid 2 – op grond van materiele gehechtheid = wanneer het bestandsdeel weg
wordt gehaald en er schade ontstaat (badkamer met ingebouwd ligbad. Als dit
wordt weggehaald heel badkamer schade)
, Bestanddeel vormt qua kwalificatie de hoofdzaak. (huis is onroerend, badkamer
dus ook. Fiets is roerend, fietsbel dus ook)
- vermogensrechten ( art. 3:6 BW)
- eigendomsrecht
rechten op een naam of toonder
Indeling vermogensrechten
Absolute rechten = rechten die een persoon op een goed kan hebben. Kan
zowel het recht op een zaak als het recht op vermogen zijn. Geldt voor iedereen.
De rechthebbende kan bepalen wat hij met het goed doet.
Er zijn 8 absolute rechten:
1. Vruchtgebruik ( art 3:201 BW) = beperkte rechten
2. Pand (art. 3:227 BW) = beperkte rechten
3. Hypotheek (art. 3:227 BW) = beperkte rechten
4. Eigendom ( art. 5:1 BW) = Volledige rechten
5. Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW) = beperkte rechten
6. Erfpacht (art. 5:85 BW) = beperkte rechten
7. Opstal (art. 5:101 BW) = beperkte rechten
8. Appartement (art. 5:106 BW) = beperkte rechten
Absolute rechten hebben 4 kenmerken:
- Zaaksgevolg (= het absoluut recht op een goed blijft bestaan, ook al bevindt
dat goed zich niet meer in de macht van de rechthebbende. )
- Prioriteitsbeginsel (= Wanneer er meer dan één absoluut recht op een goed rust
gaat het oudere absolute recht vóór het nieuwere absoluut recht)
- Bevoorrechte positie (= mag eigendom terugpakken bij een faillissement
- Exclusiviteit (= Iedere derde moet zich onthouden van inbreuk, niemand heeft
het recht iets te doen met een eigendom van een ander. Het is op iedereen van
toepassing)
of
Relatieve rechten = persoonlijke rechten. Rechten die slechts tegenover een
bepaalde persoon werken; gelden niet voor een ieder.
- Vorderingsrechten
Absolute rechten zijn onder te verdelen in:
Volledig recht
- Eigendomsrecht
- Zakelijk recht
Beperkte rechten
- Genotsrechten = rechten die de rechthebbende gebruiksgenot verschaffen
van de zaak of het recht waarop ze rusten
- Zekerheidsrechten = rechten die de rechthebbende zekerheid bieden ter
voldoening van een vordering die hij op een schuldenaar heeft; de
rechthebbende is dus niet bevoegd om het goed waarop zekerheidsrecht rust te
gebruiken. ‘zekerheid met terugbetaling van’
Registergoederen en niet- registergoederen
Registergoederen (art. 3:10 BW) = in de eerste plaats goederen waarbij voor