Leerdoelen Holdingstructuren Tessa Sipkema: 347623
1) Wanneer is er sprake van een dochtermaatschappij?
De wet definieert het begrip dochtermaatschappij in art. 2:24a BW. Hierin
komt tot uitdrukking dat er van een dochter sprake kan zijn indien de
‘moeder’:
a) al dan niet krachtens stemovereenkomsten met andere
stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van het aantal
stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen; dan wel
b) lid of aandeelhouders is, en al dan niet krachtens
stemovereenkomst met andere stemgerechtigde, alleen of samen
meer dan de helft van de bestuurders of commissarissen kan benomen,
ook indien alle stemgerechtigden stemmen.
Je moet ervan uitgaan dat 1 aandeel 1 stem heeft. In de praktijk
hoeft dat echt niet zo te zijn. Altijd controleren.
2) Hoe komt een moeder-dochter-relatie tot stand tussen een
moeder-stichting en een dochter-BV
Zie vraag 1
Casus a : stichting a is moeder van B BV
Casus b : B is een dochter van A, C is een dochter van B, A is ook
een moeder van C omdat alleen of tezamen 50 % of meer. C is een
kleindochter. Deze term kent de wet niet.
Casus C: B BV is een dochter van A.
B BV is dochter van A en C is ook een dochter van A want 30 + 51
= 81 %
Casus d: pijltje tussen A en D is een overeenkomst. Wat kan in de
overeenkomst staan of wat moet er in staan ? art. 2:24b BW:
B BV moet een dochter worden van stichting a. kan nooit van A en
D tegelijk zijn. Stichting A kan meer dan de helft van de
bestuurders / commissarissen benoemen of ontslaan in B BV.
Als stichting A de heer Jansen wil benoemen dan gaat D daarin
mee.
Je moet goed in de OVK zetten wie de bevoegdheid uitoefent,
anders weet je niks.
Hoeveel moeders kan een dochter hebben?
1) Wanneer is er sprake van een dochtermaatschappij?
De wet definieert het begrip dochtermaatschappij in art. 2:24a BW. Hierin
komt tot uitdrukking dat er van een dochter sprake kan zijn indien de
‘moeder’:
a) al dan niet krachtens stemovereenkomsten met andere
stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van het aantal
stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen; dan wel
b) lid of aandeelhouders is, en al dan niet krachtens
stemovereenkomst met andere stemgerechtigde, alleen of samen
meer dan de helft van de bestuurders of commissarissen kan benomen,
ook indien alle stemgerechtigden stemmen.
Je moet ervan uitgaan dat 1 aandeel 1 stem heeft. In de praktijk
hoeft dat echt niet zo te zijn. Altijd controleren.
2) Hoe komt een moeder-dochter-relatie tot stand tussen een
moeder-stichting en een dochter-BV
Zie vraag 1
Casus a : stichting a is moeder van B BV
Casus b : B is een dochter van A, C is een dochter van B, A is ook
een moeder van C omdat alleen of tezamen 50 % of meer. C is een
kleindochter. Deze term kent de wet niet.
Casus C: B BV is een dochter van A.
B BV is dochter van A en C is ook een dochter van A want 30 + 51
= 81 %
Casus d: pijltje tussen A en D is een overeenkomst. Wat kan in de
overeenkomst staan of wat moet er in staan ? art. 2:24b BW:
B BV moet een dochter worden van stichting a. kan nooit van A en
D tegelijk zijn. Stichting A kan meer dan de helft van de
bestuurders / commissarissen benoemen of ontslaan in B BV.
Als stichting A de heer Jansen wil benoemen dan gaat D daarin
mee.
Je moet goed in de OVK zetten wie de bevoegdheid uitoefent,
anders weet je niks.
Hoeveel moeders kan een dochter hebben?