Ontwikkelingspsychologie
Aantekeningen hoorcolleges
Vrije Universiteit Amsterdam
2021-2022
Gülten Ay
1
,Leerdoelen week 1 – De biologische ontwikkeling
1. de relatie tussen nature en nurture in de ontwikkeling beschrijven
2. uitleggen welke methodes worden gebruikt om de invloed van genen en de
omgeving te beschrijven
3. beschrijven welke factoren de prenatale ontwikkeling beïnvloeden en deze kennis
kunnen toepassen
4. uitleggen hoe de mentale staat van de moeder invloed heeft op de foetus, en op de
latere ontwikkeling en deze kennis kunnen toepassen
5. de rol van genen en ervaring in de ontwikkeling van het brein uitleggen
6. beschrijven van de belangrijkste processen in de ontwikkeling van het brein o.a.
tijdens foetale ontwikkeling en puberteit en uitleggen hoe deze samenhangen met
gedrag
Belangrijke termen
Fylogenese: ontstaan van een soort (evolutie)
Ontogenese: ontwikkeling van een individu
Genotype: unieke set genen van een individu
Fenotype: observeerbare kenmerken
Mytose: celdeling van autosomen (“gewone cellen”).
Meiose: celdeling van gameten (geslachtscellen).
Zygote: bevruchte eicel
Epigenetica: het reguleren van genen zonder structuur aan te tasten,
dus . ook imprinten. Kan ook weer terug.
Imprinting: aan of uit zetten van genen
Homozygoot: met dezelfde allel (BB/bb)
Heterozygoot: met verschillende allel (Bb)
Dominant, recessief en co-dominant (bloedgroep AB)
2
,Epigenetica – imprinting
Doel: normale ontwikkeling in verschillende omgevingen mogelijk maken.
Soms gaat t mis…
Brein is erg gevoelig.
Genen vs omgeving
Nativisme vs Behaviorisme
Meeste ontwikkelingspsychologen zitten ergens in het midden, tussen de twee
extremen.
Nature: genen bepalen het gedrag. Persoonlijkheidskenmerken en vaardigheden
zitten in onze ‘natuur’ en zijn dus aangeboren.
Nurture: de omgeving, opvoeding en ervaringen bepalen het gedrag. We zijn
grootgebracht (‘nurtured’) om ons op een bepaalde manier te gedragen.
Kwetsbaarheid en omgeving
Optimale ontwikkeling wanneer genen en omgeving op elkaar zijn afgestemd.
Genen - samenvatting
3
, Genen zijn dwingend om tot de goede soort te komen.
o Structureel en regulatoir
Genen geven flexibiliteit voor omgevingsinvloeden: plasticiteit.
o Bijv. Het aanleren of afleren van iets.
Genen interacteren, wat belangrijker is dan hun aanwezigheid.
o Interactie dus ook met de omgeving.
Spontane mutaties, goed of kwaad, direct of indirect.
Problemen op Y hebben effect op jongens
Problemen op X ook vaker effect op jongens, omdat de andere X het bij meisjes
overneemt
H6 – Embryonale ontwikkeling
Kiemperiode
4
Aantekeningen hoorcolleges
Vrije Universiteit Amsterdam
2021-2022
Gülten Ay
1
,Leerdoelen week 1 – De biologische ontwikkeling
1. de relatie tussen nature en nurture in de ontwikkeling beschrijven
2. uitleggen welke methodes worden gebruikt om de invloed van genen en de
omgeving te beschrijven
3. beschrijven welke factoren de prenatale ontwikkeling beïnvloeden en deze kennis
kunnen toepassen
4. uitleggen hoe de mentale staat van de moeder invloed heeft op de foetus, en op de
latere ontwikkeling en deze kennis kunnen toepassen
5. de rol van genen en ervaring in de ontwikkeling van het brein uitleggen
6. beschrijven van de belangrijkste processen in de ontwikkeling van het brein o.a.
tijdens foetale ontwikkeling en puberteit en uitleggen hoe deze samenhangen met
gedrag
Belangrijke termen
Fylogenese: ontstaan van een soort (evolutie)
Ontogenese: ontwikkeling van een individu
Genotype: unieke set genen van een individu
Fenotype: observeerbare kenmerken
Mytose: celdeling van autosomen (“gewone cellen”).
Meiose: celdeling van gameten (geslachtscellen).
Zygote: bevruchte eicel
Epigenetica: het reguleren van genen zonder structuur aan te tasten,
dus . ook imprinten. Kan ook weer terug.
Imprinting: aan of uit zetten van genen
Homozygoot: met dezelfde allel (BB/bb)
Heterozygoot: met verschillende allel (Bb)
Dominant, recessief en co-dominant (bloedgroep AB)
2
,Epigenetica – imprinting
Doel: normale ontwikkeling in verschillende omgevingen mogelijk maken.
Soms gaat t mis…
Brein is erg gevoelig.
Genen vs omgeving
Nativisme vs Behaviorisme
Meeste ontwikkelingspsychologen zitten ergens in het midden, tussen de twee
extremen.
Nature: genen bepalen het gedrag. Persoonlijkheidskenmerken en vaardigheden
zitten in onze ‘natuur’ en zijn dus aangeboren.
Nurture: de omgeving, opvoeding en ervaringen bepalen het gedrag. We zijn
grootgebracht (‘nurtured’) om ons op een bepaalde manier te gedragen.
Kwetsbaarheid en omgeving
Optimale ontwikkeling wanneer genen en omgeving op elkaar zijn afgestemd.
Genen - samenvatting
3
, Genen zijn dwingend om tot de goede soort te komen.
o Structureel en regulatoir
Genen geven flexibiliteit voor omgevingsinvloeden: plasticiteit.
o Bijv. Het aanleren of afleren van iets.
Genen interacteren, wat belangrijker is dan hun aanwezigheid.
o Interactie dus ook met de omgeving.
Spontane mutaties, goed of kwaad, direct of indirect.
Problemen op Y hebben effect op jongens
Problemen op X ook vaker effect op jongens, omdat de andere X het bij meisjes
overneemt
H6 – Embryonale ontwikkeling
Kiemperiode
4