Week 1 –introductie.
Belang theorie: structureren van het probleem, selectie van relevante
determinanten, geeft richting voor oplossing en evaluatie.
Verschillen tussen methoden:
Soort Causaliteit toetsen Externe validiteit
Experiment ++ -
Quasi-experiment +/- +
Opinie/correlationeel - ++
Sociaalpsychologische aspecten: gedragingen, probleembesef, attitudes, normen, waarden,
efficacy.
Sociale psychologie: wetenschap die zich richt op het begrijpen van de aard en oorzaken van
menselijk gedrag en cognities in sociale situaties.
Toegepaste sociale psychologie: toepassen van sociaal psychologische constructen,
principes, theorieën, interventietechnieken, methoden en onderzoeksresultaten om sociale
problemen te begrijpen en op te lossen.
Construct: latente individuele eigenschap (attitude/waarde/sociale norm/prestatiemotivatie)
Principe: werking van een psychologisch proces (cognitieve dissonantie reductie/groupthink;
unanimiteit belangrijk voor cohesie groep/bystander effect/voet-in-deur techniek).
Theorie: geïntegreerde set principes waarmee gedrag en cognities kunnen worden
beschreven, verklaard en voorspeld.
Sociale invloed theorieën: je doet wat de meesten doen, invloed van sociale omgeving op
gedachten, gevoelens en gedrag.
Sociale cognitie theorieën: hoe denken we over anderen en de wereld.
Sociale relatie theorieën: hoe gaan we om met anderen, waarom hebben we goede relaties of
conflicten.
Verschillen fundamentele en toegepaste sociale psychologie: fundamenteel meer nadruk om
ontwikkelen en testen van theorieën, deductief. Toegepast meer nadruk begrijpen en oplossen
sociale problemen, inductief.
Overeenkomsten: ontwikkelen en testen theorieën, wetenschappelijke methoden, beschrijven,
voorspellen, causaliteit, verklaren, gericht op dezelfde oorzaken van cognities en gedrag.
Factoren van invloed op cognities en gedrag: individueel, sociaal, situationeel, cultureel,
biologisch.
Kenmerken toegepast: probleemgericht, waardenoriëntatie, sociale bruikbaarheid,
generaliseerbaarheid, veld onderzoek, interdisciplinair, opdrachtgever, kosten-batenafweging,
politieke haalbaarheid, output: wetenschap versus maatschappij.
Week 1 – interventies.
, Toegepaste gedragsanalyse (leertheorie): gevolgen motiveren gedrag (positef >, negatief <).
Vooral directe en zekere gevolgen beïnvloeden gedrag. Gedrag stimuleren of afremmen als
gevolgen veranderen.
Interventiestrategieën:
- Antecedente strategieën: veranderen van factoren in omgeving voorafgaande aan
gedrag. Sturen gedrag, kondigen mogelijke gevolgen aan.
o Voorlichting, educatie en training. Effectiever als: informatie op maat,
kennistekort belangrijkste barriere, of gecombineerd met andere interventies.
o Prompts: mondelinge of schriftelijke boodschappen op plekken waar gedrag
plaatsvindt, herinneren. Effectief als: duidelijk welk gedrag gewenst, makkelijk
uitvoerbaar, zichtbaar op welke plek plaatsvindt, vriendelijk geformuleerd.
o Voorbeeldgedrag: goede voorbeeld geven. Effectief als model wordt beloond
en geloofwaardig is.
o Commitment: belofte om gedrag te veranderen, morele verplichting om
gedrag te vertonen, consistent over willen komen.
- Consequente strategieën: veranderen gevolgen van gedrag, controleren gedrag.
o Straffen = negatieve gevolgen verbinden aan ongewenst gedrag. Negatieve
attitudes en emoties, ontwijkgedrag, handhaving en pakkans.
o Belonen: positieve gevolgen verbinden aan gedrag. Nadelen: duur, effect
verdwijnt vaak als beloning verdwijnt, intrinsieke motivatie zwakker.
o Feedback: informatie geven over gedrag en gevolgen daarvan. Gevolgen
duidelijker motiveert.
- Three-term-contingency: antecedent gedrag consequentie.
Compliance techniques: technieken die de kans verhogen dat iemand een verzoek om
gedrag te veranderen opvolgt. Bijvoorbeeld:
Consistentie: consistent over willen komen. Voet-in-deur/commitment/cognitieve
dissonantie oproepen.
Sociaal bewijs: informatie over wat anderen verwachten (injunctieve norm), of wat
anderen doen (descriptieve norm). Sociale vergelijkingsfeedback: jij in vergelijking
met anderen. Maar: slecht voorbeeld doet slecht volgen.
Autoriteit: we laten het ons gemakkelijker overtuigen door autoriteit dan door lage
status. Mening van deskundigen als heuristiek (ELM)
Aardig vinden: we doen meer voor mensen die we aardig vinden en kennen. We
vinden mensen die op ons lijken en die ons aanvullen aardiger. Benadruk
overeenkomsten (block-leader approach).
Reciprociteit: voor wat hoort wat. Eerst iets geven.
Schaarste: als iets moeilijk te krijgen is zal het wel waardevol zijn. Verlies vermijden.
Potentiële verliezen benadrukken.
Week 2 – economische psychologie.
= bestudeert psychologische mechanismen die ten grondslag liggen aan gedrag. Verklaart
irrationeel economisch gedrag. Integreert inzichten en methoden uit de sociale psychologie en
economie.