Literatuur Organisatietheorie & -dynamiek
Hoofdstuk 1
Belangrijke theorieën binnen de organisatietheorie uit de geschiedenis:
Adam Smith:
o Division of labour: effectiever indien werk in taken per persoon wordt opgedeeld
o Taakdifferentiatie en specialisatie van belang
Karl Marx:
o Kapitalisme omvat een machtsrelatie tussen kapitaal (winstgevendheid) en werkers,
wat leidt tot exploitatie van werkers doordat dit als een kost wordt gezien
o Hierdoor zijn bijv. vakbonden nodig
Emile Durkheim:
o Hiërarchie en onderlinge taakafhankelijkheid
o Informele organisaties voor een organisatiecultuur
Karl Weber:
o Autoriteit op basis van rationaliteit en regels, dat zorgt voor beter gedrag
o Bureaucratie, maar dit zorgt voor erge gebondenheid daarom ook substantieve
rationaliteit naast formele rationaliteit
Frederick Taylor:
o Scientific management: technologische aspecten en motivatie van werkers door bijv.
standaardisatie van werk en doelen voor prestatie
o Efficiëntie in beweging
Mary Follet:
o Democratie op de werkplek en een non-hiërarchische structuur
o Interactie tijdens het werken aan gemeenschappelijke doel leidt tot individuele
bevrediging
Henri Fayol:
o Span of control: optimaal aantal ondergeschikten per manager
o Unity of command: iedere ondergeschikte heeft een leidinggevende
o Standard operating procedures voor ondergeschikten
Chester Barnard:
o Coöperatie door focus op integratie met communicatie van doelen
Moderne organisatietheorieën:
General systems theory:
o Sociale organisaties zijn een systeem van interacterende subsystemen die onderdeel
zijn van een supersysteem dat communiceert met andere systemen
o Regels en principes die toepasbaar zijn op alle systemen
o Het bestaan van een systeem is afhankelijk van de organisatie van zijn onderdelen
o Een systeem omvat niet enkel zijn subsystemen, het is meer dan dat samen
o Requisite variety: verschillende niveaus van complexiteit
Socio-technical systems theory:
o Technologie heeft invloed op sociale relaties, productiviteit, motivatie etc.
o Ontwerp dat samenwerking en zelfmanagement bevat is effectiever
Contingency theory:
o Ontwerp van organisatie is afhankelijk van specifieke situatie
Normativiteit = overtuigingen wat goed of slecht is
Deconstruction = opnieuw lezen van tekst in verschillende context, waardoor de interpretatie
kan veranderen
, Symbolistische perspectief:
Social construction theory:
o Sociale wereld is onderhandeld, georganiseerd en opgebouwd door onze
interpretatie van realiteit die gecommuniceerd worden door symbolen
o Intersubjectiviteit van de realiteit
o Processen van externalisatie, objectificatie en internalisatie
Enactment theory:
o Organisering gebeurt door bekrachtiging van overtuigingen wat waar is
o Organisatie is het resultaat van processen van organisationele cognitie
Institutionalization:
o Organisaties zijn rationele tools voor het bereiken van economische efficiëntie die
verdwijnen indien er een efficiëntere organisatie is
o Door sociale legitimatie kunnen dit instituties worden
Hoofdstuk 2
Structuur = relaties tussen onderdelen van een systeem of entiteit
Organisatiestructuur = structuur binnen organisatie
Fysieke structuur = ruimtelijke en temporele relaties tussen materiele elementen
Sociale structuur = relaties tussen de rollen en verantwoordelijkheden bijv. op basis van
groepen of units
Weber’s ideale bureaucratie
Vaste verdeling van taken: splitten van werk van organisatie over werknemers voor
efficiëntie en effectiviteit, groeperen van zelfde soort taken (departmentalization)
Duidelijke hiërarchie: hogere positie is meer autoriteit, formele relaties voor rapportering,
Geformaliseerde regels/procedures: formalisatie, verminderen vrije richting werknemers
Dimensies van organisatiestructuur:
Grootte: aantal werknemers in een organisatie
Administratieve component: percentage werknemers die een administratieve
verantwoordelijkheid hebben
Differentiatie: aantal niveaus van hiërarchie (verticaal) en aantal divisies (horizontaal)
Integratie: mate van coördinatie tussen activiteiten
Centralisatie: mate waarin autoriteit tot beslissingen aan top zit, kan verschillen per soort
beslissing
Standaardisatie: mate van gestandaardiseerde processen
Formalisatie: mate van formele omschrijvingen, regels etc.
Specialisatie: mate van specialisatie van taken
Types van organisatiestructuur
Simpel: kleine organisatie, bijna geen hiërarchie of formalisatie
Functioneel: groeperen van activiteiten op basis van functie
Multidivisioneel (M-vorm): verschillende, losse organisaties binnen een organisatie die
hun eigen functionele structuur daarbinnen hebben
o Bijvoorbeeld op basis van proces, klant of geografische locatie
Matrix: op basis van meerdere criteria groeperen in een matrix
Nieuwe organisatiestructuren:
Netwerkorganisatie: meerdere kleine bedrijven/werknemers die (tijdelijk) zijn
aangesloten op een netwerk
Supply chain: organisatie per onderdeel uit supply chain met informatiestromen
hiertussen
Crowdsourced: virtuele organisatie op basis van anderen losse entiteiten
Hoofdstuk 1
Belangrijke theorieën binnen de organisatietheorie uit de geschiedenis:
Adam Smith:
o Division of labour: effectiever indien werk in taken per persoon wordt opgedeeld
o Taakdifferentiatie en specialisatie van belang
Karl Marx:
o Kapitalisme omvat een machtsrelatie tussen kapitaal (winstgevendheid) en werkers,
wat leidt tot exploitatie van werkers doordat dit als een kost wordt gezien
o Hierdoor zijn bijv. vakbonden nodig
Emile Durkheim:
o Hiërarchie en onderlinge taakafhankelijkheid
o Informele organisaties voor een organisatiecultuur
Karl Weber:
o Autoriteit op basis van rationaliteit en regels, dat zorgt voor beter gedrag
o Bureaucratie, maar dit zorgt voor erge gebondenheid daarom ook substantieve
rationaliteit naast formele rationaliteit
Frederick Taylor:
o Scientific management: technologische aspecten en motivatie van werkers door bijv.
standaardisatie van werk en doelen voor prestatie
o Efficiëntie in beweging
Mary Follet:
o Democratie op de werkplek en een non-hiërarchische structuur
o Interactie tijdens het werken aan gemeenschappelijke doel leidt tot individuele
bevrediging
Henri Fayol:
o Span of control: optimaal aantal ondergeschikten per manager
o Unity of command: iedere ondergeschikte heeft een leidinggevende
o Standard operating procedures voor ondergeschikten
Chester Barnard:
o Coöperatie door focus op integratie met communicatie van doelen
Moderne organisatietheorieën:
General systems theory:
o Sociale organisaties zijn een systeem van interacterende subsystemen die onderdeel
zijn van een supersysteem dat communiceert met andere systemen
o Regels en principes die toepasbaar zijn op alle systemen
o Het bestaan van een systeem is afhankelijk van de organisatie van zijn onderdelen
o Een systeem omvat niet enkel zijn subsystemen, het is meer dan dat samen
o Requisite variety: verschillende niveaus van complexiteit
Socio-technical systems theory:
o Technologie heeft invloed op sociale relaties, productiviteit, motivatie etc.
o Ontwerp dat samenwerking en zelfmanagement bevat is effectiever
Contingency theory:
o Ontwerp van organisatie is afhankelijk van specifieke situatie
Normativiteit = overtuigingen wat goed of slecht is
Deconstruction = opnieuw lezen van tekst in verschillende context, waardoor de interpretatie
kan veranderen
, Symbolistische perspectief:
Social construction theory:
o Sociale wereld is onderhandeld, georganiseerd en opgebouwd door onze
interpretatie van realiteit die gecommuniceerd worden door symbolen
o Intersubjectiviteit van de realiteit
o Processen van externalisatie, objectificatie en internalisatie
Enactment theory:
o Organisering gebeurt door bekrachtiging van overtuigingen wat waar is
o Organisatie is het resultaat van processen van organisationele cognitie
Institutionalization:
o Organisaties zijn rationele tools voor het bereiken van economische efficiëntie die
verdwijnen indien er een efficiëntere organisatie is
o Door sociale legitimatie kunnen dit instituties worden
Hoofdstuk 2
Structuur = relaties tussen onderdelen van een systeem of entiteit
Organisatiestructuur = structuur binnen organisatie
Fysieke structuur = ruimtelijke en temporele relaties tussen materiele elementen
Sociale structuur = relaties tussen de rollen en verantwoordelijkheden bijv. op basis van
groepen of units
Weber’s ideale bureaucratie
Vaste verdeling van taken: splitten van werk van organisatie over werknemers voor
efficiëntie en effectiviteit, groeperen van zelfde soort taken (departmentalization)
Duidelijke hiërarchie: hogere positie is meer autoriteit, formele relaties voor rapportering,
Geformaliseerde regels/procedures: formalisatie, verminderen vrije richting werknemers
Dimensies van organisatiestructuur:
Grootte: aantal werknemers in een organisatie
Administratieve component: percentage werknemers die een administratieve
verantwoordelijkheid hebben
Differentiatie: aantal niveaus van hiërarchie (verticaal) en aantal divisies (horizontaal)
Integratie: mate van coördinatie tussen activiteiten
Centralisatie: mate waarin autoriteit tot beslissingen aan top zit, kan verschillen per soort
beslissing
Standaardisatie: mate van gestandaardiseerde processen
Formalisatie: mate van formele omschrijvingen, regels etc.
Specialisatie: mate van specialisatie van taken
Types van organisatiestructuur
Simpel: kleine organisatie, bijna geen hiërarchie of formalisatie
Functioneel: groeperen van activiteiten op basis van functie
Multidivisioneel (M-vorm): verschillende, losse organisaties binnen een organisatie die
hun eigen functionele structuur daarbinnen hebben
o Bijvoorbeeld op basis van proces, klant of geografische locatie
Matrix: op basis van meerdere criteria groeperen in een matrix
Nieuwe organisatiestructuren:
Netwerkorganisatie: meerdere kleine bedrijven/werknemers die (tijdelijk) zijn
aangesloten op een netwerk
Supply chain: organisatie per onderdeel uit supply chain met informatiestromen
hiertussen
Crowdsourced: virtuele organisatie op basis van anderen losse entiteiten