INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 2: ZIEN EN MAKEN ..................................................................................................................... 2
2.1 + 2.2 BEELDEN ZIEN + BEELDEN MAKEN .................................................................................................................. 2
2.3 BEELDEN VORMGEVEN ........................................................................................................................................ 2
2.4 PRODUCTCOMPONENTEN: BETEKENIS, MATERIE, VORM ............................................................................................. 2
2.5 PROCESCOMPONENTEN: BESCHOUWING, ONDERZOEK, WERKWIJZE .............................................................................. 4
2.6 BEELDEND VORMGEVEN ALS CREATIEF PROCES ......................................................................................................... 4
Potentiele toetsvragen / vragen die ik bij oefentoets fout had ....................................................................... 4
HOOFDSTUK 8: DE VIJF BEELDASPECTEN......................................................................................................... 5
8.2 RUIMTE ............................................................................................................................................................ 5
8.3 KLEUR .............................................................................................................................................................. 5
8.4 VORM .............................................................................................................................................................. 6
8.5 TEXTUUR .......................................................................................................................................................... 7
8.6 COMPOSITIE: SAMENSTELLING, BEELDOPBOUW, BEELDSTRUCTUUR .............................................................................. 7
Potentiele toetsvragen / vragen die ik bij oefentoets fout had ....................................................................... 8
HOOFDSTUK 10: WAARNEMING, BEELDBESCHOUWING EN CULTUUREDUCATIE ............................................. 9
10.1 BEELDEN EN WAARNEMEN ................................................................................................................................. 9
10.2 LEREN KIJKEN EN BEELDANALYSE .......................................................................................................................... 9
10.3 KINDEREN BEOORDELEN BEELDENDE KUNST ........................................................................................................... 9
10.4 BESCHOUWEN ALS LESACTIVITEIT: SAMEN LEREN KIJKEN ......................................................................................... 10
10.5 CULTUUREDUCATIE ......................................................................................................................................... 10
Potentiele toetsvragen / vragen die ik bij oefentoets fout had ..................................................................... 10
HOOFDSTUK 11: SPOREN VAN ONTWIKKELING ............................................................................................ 11
11.1 ONDERWIJS EN BEELDENDE ONTWIKKELING ......................................................................................................... 11
11.2 TYPISCHE KENMERKEN IN DE BEELDENDE ONTWIKKELING ........................................................................................ 11
11.3 BEELDEND ONTWIKKELING IN BREDE ZIN.............................................................................................................. 12
11.4 ONDERBOUW, 4-6 JAAR: SPELEN EN VOLGEN ....................................................................................................... 13
11.5 MIDDENBOUW: 6-9 JAAR, ONDERZOEKERS, HOE ZIT DAT EIGENLIJK? ........................................................................ 13
11.6 BOVENBOUW: 9-12 JAAR, WIE BEN IK, WIE BEN JIJ? .............................................................................................. 13
HOOFDSTUK 12: LEEFTIJDSKARAKTERISTIEKEN ............................................................................................. 14
12.2 KARAKTERISTIEKEN VOOR BEELDEND ONDERWIJS IN DE ONDERBOUW ....................................................................... 14
12.3 KARAKTERISTIEKEN VOOR BEELDEND ONDERWIJS IN DE MIDDENBOUW ...................................................................... 15
12.4 KARAKTERISTIEKEN VOOR BEELDEND ONDERWIJS IN DE BOVENBOUW ....................................................................... 15
PROEFTOETS ONTVANGEN VAN DOCENT (LINK) ........................................................................................... 16
, SAMENVATTING BEVO | LAAT MAAR ZIEN
HOOFDSTUK 2: ZIEN EN MAKEN
2.1 + 2.2 BEELDEN ZIEN + BEELDEN MAKEN
• Beeld à voorstelling van iets, wordt gemaakt door brein
• Zien à reconstructie van visuele werkelijkheid
• Iedereen heeft 'eigen’ beeld van de ‘objectieve’ omgeving
• Sensibilisering à De gevoeligheid voor visuele waarneming vergroten, leren met andere ogen kijken
en op manier betekenis geven aan de omgeving
• Vormgever geeft via vormgevende handelingen een beeld zeggingskracht: het vertelt wat het moet
vertellen.
2.3 BEELDEN VORMGEVEN
Beeldend vormgeven à het betekenis verlenen aan materie door de vorm aan
te passen.
Dat gebeurt in een creatief proces van:
1. Beschouwen (kijken/vergelijken)
2. Onderzoek (experimenteren/overwegen)
3. Werkwijze (handelen/verwerken)
4. Reflectie (stuurt activiteiten aan en zorgt voor persoonlijke
afstemming)
2.4 PRODUCTCOMPONENTEN: BETEKENIS, MATERIE, VORM
A. Betekenis à Wat drukt het beeld uit?
Þ Het geheel van associaties en emoties dat het teweeg kan brengen.
Þ De mate waarin een beeld begrepen wordt hangt af van de overlap van ervaringsvelden
Betekenis in drie lagen:
1. De visuele betekenis à hoe ziet het eruit (in een oogopslag)? Morfologisch (vorm)
Þ Vooral bij abstracte kunst
2. De objectbetekenis à wat stelt het voor? Wat herkennen we erin?
Þ Veel beelden en schilderen verwijzen naar feitelijke of fictionele figuren. Er zit geen diepere
onzichtbare boodschap in verborgen. Een sculptuur met een objectkarakter lijkt ‘echt’ of ‘waar
3. De symbolische betekenis à waar verwijst het naar, wat het dus niet is? Betekenissen zitten verstopt
achter 1e en 2e laag. Iconografisch (inhoud)
Þ Als je op zoek moet naar de diepere boodschap van een beeld
Begrippen met verwijzing naar betekenis
Realistisch Werkelijkheidsgetrouw
Surrealistisch Niet bestaande, droomachtige situatie die wel werkelijkheidsgetrouw is weergegeven
Abstract Kunst dat verwijst naar een idee of begrip, iets dat niet te zien is (to concreet)
Concreet Beels is wat het is
Non figuratief Beeld bevat geen gelijkenissen of verwijzingen naar iet herkenbaars uit wkh
Impressionistisch Beeld geeft een (globale) visuele indruk van een bestaande situatie
Expressionistisch Beeld geeft uitdrukking aan een emotionele gesteldheid
B. Vorm à de verzameling van visuele aspecten die het beeld bepalen.
Þ Er zijn 5 beeldaspecten (visuele variabelen die in een beeld te onderscheiden): vorm, kleur, ruimte,
textuur en compositie.
C. Materie à datgene waarvan een beeld is gemaakt of kan worden gemaakt.
Þ Dankzij materie kunnen waarnemen: ruiken, proeven, voelen, zien, horen
Þ Karakter van materie: vormhebbend of vormloos
2
, SAMENVATTING BEVO | LAAT MAAR ZIEN
Þ Volgen of dwingen
Þ Van grondstof tot eindproduct
Þ Weerstand van materie
Þ Werken met virtuele materie
Þ Materie op de basisschool à tegengestelde standpunten
a) Minimaal aanbod: houtskool, verf, klei waarbij optimale materiaalbeheersing wordt
onderwezen
b) Rijke schakering materiaalervaringen, ook als dit ten koste gaat aan kwaliteit van vormgeving
of gebrekkige beheersing
Þ Materiaalbewustzijn à de gevoeligheid voor de mogelijkheden van materiaal en gereedschappen
3