Hoofdstuk 6 De overheid grijpt in
Paragraaf 1
Individuele goederen: goederen die splitsbaar zijn in eenheden die aan individuele
personen kunnen worden verkocht.
Collectieve goederen: goederen die niet splitsbaar zijn in individueel leverbare
eenheden.
Quasi-collectief: goederen die wel door de overheid worden aangeleverd, maar ook
individueel splitsbaar zijn.
Waarom grijpt de overheid in?
1. sommige goederen worden niet door private ondernemingen geproduceerd
2. productie kan schadelijke neveneffecten hebben
externe effecten: gevolgen van productie of consumptie door de één voor de
welvaart van een ander. (niet in de prijs doorberekend=externe)
negatieve externe effecten: bijkomende gevolgen van productie of
consumptie op anderen die niet wordt meegerekend in de prijs. → zorgen voor
maatschappelijke kosten.
3. positieve externe effecten bevorderen
4. markten kunnen een politiek onaanvaardbare inkomensverschil tot stand
brengen
5. markten kunnen misbruik van hun macht maken
Collectivisatie: overheid neemt taken van de particuliere overheid over.
Paragraaf 2
Maximumprijs: het maximale bedrag per eenheid dat een aanbieder voor een
bepaald product mag vragen.
- bescherming consument
- p onder evenwichtsprijs
- aanbod te kort en veel vraag
- zwarte handel kan stijgen
- rantsoenering (wachtlijsten)
- monopolie → mo=mk
- leidt tot welvaartsverlies
Minimumprijs: de prijs per eenheid waaronder de aanbieder zijn product niet hoeft
aan te bieden.
- bescherming producent
- de overheid vindt marktprijs te laag
- overschot → dumpen/vernietigen (kosten: opkopen+vernietigen)
- boven evenwichtsprijs
, Paragraaf 3
Twee soorten indirecte belastingen:
- belasting als een vast bedrag per eenheid per product
- bekendste accijns (gebruik afremmen)
- belasting als percentage van de producentenprijs
- BTW (belasting toegevoegde waarde)
q= ……p + ….
p = ….. q + …..
p = (..... q +....) + accijns
q = …..
B&C geen verloren welvaart want komt
terug in de maatschappij