10e eeuw het Heilige Roomse Rijk (Nederland en stuk van België) op feodale wijze
bestuurd, met leenheer -en mannen. Groot deel zelfvoorzienend en dunbevolkt.
Vanaf 11e eeuw landbouw productiever, 3 oorzaken:
● Steeds meer land werd bebouwd, bossen werd gekapt en moerassen en vennen
drooggelegd.
● Andere manier van landbouw bedrijven → drieslagstelsel. Eerste jaar bebouwd
zomergranen, 2e jaar wintergranen, 3e jaar braak. Eerst tweeslagstelsel.
● Nieuwe technieken, betere ploeg en ossen werden vervangen door paarden.
Door hogere productie → bevolkingsgroei en specialisatie mogelijk en daardoor leefde de
handel op (agrarisch-urbane samenleving). (⭐13 De opkomst van handel en ambacht
die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving)
Gevolg opbloeiende handel:
● Toename verstedelijking vooral op plekken waar ambachtslieden, boeren en
handelaren elkaar ontmoeten.
● Behoefte aan geld als ruilmiddel → monetaire economie ontstond er.
Om economische en politieke belangen te beschermen wilden stedelingen stadsrechten
van de lokale vorst. Als ze die kregen → meer zelfstandige eenheid in het gebied van de
feodale heer. Als vorst kregen zij belasting en militaire steun er voor terug.
Inwoners van steden → poorters samen vormde zij de burgerij om toegelaten te worden
moest je betalen.
Rechten burgerij:
● ambacht uitoefenen
● berecht worden door stadsgenoten
● in aanmerking voor bestuursfuncties komen
● marktrecht, 1 keer per jaar mocht er een markt worden gehouden. Vorst zorgde dan
voor veiligheid. Grote steden hadden een economische functie voor gebied rondom
de stad → verzorgingsgebied. Handelaren reisde van de ene jaar markt naar de
andere.
De stad had constante toestroom nodig van mensen van platteland naar stad, voor kapitaal
en kennis. (⭐14 De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid
van steden)
Vlaanderen vanaf 11e eeuw meest verstedelijkt gebied Europa.
Tot 1300 zwaartepunt van deze regio Atrecht. Eind 11e eeuw Atrecht hoofdstad van Bisdom,
aanwezigheid van bisschop en hofhouding zorgde voor werkgelegenheid. Door productieve
landbouw lakenhandel groot. Laken → wollen stof.
Verschillen in burgerij groter door handel. Rijke kooplieden trokken macht naar zich toe en
verdeelde bestuursfuncties onder elkaar, nieuwe sociale klasse → patriciërs. Traden op als
geldschieters voor lokale vorsten, die hierdoor een schuld kregen en daardoor afhankelijker
van patriciërs werden.
Ambachtslieden verzamelde zich in verenigingen van beroepsgenoten → gilden. Kooplieden
ook en werden nog machtiger en bepaalde zo werkomstandigheden, loon, etc. Eind 13e
eeuw ontstond hierover steeds meer conflicten (vooral in Vlaanderen). Uiteindelijk opstand