Hoofdstuk 3
Winst en verliesrekening (resultatenrekening, exploitatierekening, staat van baten en
lasten) = zegt iets over de mate waarin een organisatie de afgelopen periode in financieel
opzicht heeft gerendeerd. Het is geen momentopname, maar een overzicht van wat er de
afgelopen periode in financieel opzicht is gebeurt.
Resultaat = omzet – kosten.
Voorbeeld van winst-verliesrekening
Netto-omzet = dat de eventuele kortingen al van de omzet zijn afgetrokken.
Productiefactoren =
- arbeid (tijd en inspanning van mensen)
- kapitaal (alle middelen die voor de productie van een goed nodig zijn)
- natuur (hulpbronnen als lucht, water, grond en delfstoffen)
- ondernemerschap (organisatie van het productieproces)
Productiefactor arbeid is bijv personeelskosten die betaalt moeten worden door het bedrijf.
Omzet = geld dat je binnenhaalt, als je iets verkoopt en je krijgt hiervoor geld boek je dit pas
in op het moment van de levering van het product dus als de klant het product gekregen
heeft.
Kosten boek je op het moment van verbruik, en dus niet op moment van inkoop of betaling.
Afschrijvingen zijn kosten. Het is de in geld uitgedrukte waardedaling van vaste activa. De
levensduur is de gebruiksduur van de activa.
Rentekosten worden in eerste instantie buiten de kostenopstelling gehouden. Het wordt
apart opgenomen in de winst- en verliesrekening als ‘’financiële baten en lasten’’.
Bedrijfsresultaat = netto omzet – kosten (excl financiële baten en lasten, dus betaalde en
ontvangen rente en belastingen). Dit geeft aan wat de organisatie verdiend heeft aan de core
business. EBIT (earnings before interest and taxes) wordt dit ook wel genoemd.
Winst voor belastingen = bedrijfsresultaat – financiële baten en lasten. Hierover wordt dan
nog vennootschapsbelasting berekend. Daarna blijft de nettowinst over.
Hoofdstuk 4
Kasstroomoverzicht is gwn liquiditeitsbegroting.
Operationele activiteiten = hebben betrekking op kernfuncties zoals inkoop, productie en
verkoop. Het is de inzet van mensen en middelen ter realisatie van organisatiedoelstellingen.
Het genereert operationele geldstromen zoals betalingen aan crediteuren, salarisbetalingen,
belastingafdrachten en ontvangsten van debiteuren. Het gaat over alle posten op de winst-
en verliesrekening die een onmiddellijke betaling tot gevolg hadden.
, - Ingaande geldstroom: betalingen van klanten doordat ze het product gekocht hebben
- Uitgaande geldstroom: personeelskosten, leveranciersbetalingen.
Samen is dit kasstroom uit operationele activiteiten.
Investeringsactiviteiten = aanschaf van capaciteit. Het zorgt voor uitgaande kasstromen.
Wel kunnen ze ook capaciteit afschaffen, desinvesteringen (verkopen bv), dus dan zorgt het
voor inkomende kasstromen. Verschil is kasstroom uit investeringsactiviteiten.
Financieringsactiviteiten = betrekking op financiering van organisatie zoals lenen van geld
ter betaling van voorgenomen investeringen. Dit samen heet kasstroom uit
financieringsactiviteiten.
Kasstroomoverzicht = geeft weer waarom de post liquide middelen het afgelopen jaar is
gemuteerd als gevolg van operationele-, investerings-, en financieringsactiviteiten.
Voorbeeld van
kasstroomoverzicht.
Hoofdstuk 5
Voorbeeld van hierboven genoemde theorie:
Iemand heeft een bedrijf opgestart en de volgende dingen zijn gebeurt in het eerste kwartaal.