Reflectiemodel van Korthagen
Fase 1: beschrijf de ervaring/situatie waarop je de reflectie zal toepassen.
De situatie beschreven als een ‘videomoment’.
Neem de lezer mee in het moment
Beschrijf wie wat waar wanneer en hoe
Wat is de concrete situatie?
Wat was mijn taak binnen deze situatie?
Welke concrete acties heb ik in deze situatie ondernomen?
Wat was het resultaat van deze acties?
Fase 2: terugblikken: wat gebeurde er concreet?
Concreet maken
Wat gebeurde er nou eigenlijk? En wat deed dat met jou?
Heel specifiek: wat dacht je, wat voelde je, wat deed je.. (diepgaand)
! Deze fase zijn belangrijk om echt concreet/verdiepend te zijn en niet diplomatiek/oppervlakkig/algemeen te blijven. (dus
letterlijk schrijven wat je dacht)
- Bijvoorbeeld: Ik wou dat ik deze stage nooit gehad had, ik wilde dat ik thuis was, was ik maar in mijn bed, waarom
ben ik nu hier, etc.
Wat zag ik?
Wat deed ik?
Wat dacht ik?
Wat voelde ik?
Fase 3: bewustwording van essentiële aspecten
- Verklaren context/gedrag/interactie/kern van het probleem aan de hand van theorie en modellen. Er moet
minstens 1 interactiemodel gebruikt worden
- Bijv.:
o De roos van Leary
o Dramadriehoek
o Territoriumleer
o Andere interactiemodellen
- Biopsychosociaal model gebruiken voor het klinisch redeneren. Welke factoren liggen eronder? Waar komt dit
gedrag vandaan?
- De interactie komt vanuit beide kanten
Wat vond ik belangrijk?
Wat betekent dat nu voor mij?
Fase 1: beschrijf de ervaring/situatie waarop je de reflectie zal toepassen.
De situatie beschreven als een ‘videomoment’.
Neem de lezer mee in het moment
Beschrijf wie wat waar wanneer en hoe
Wat is de concrete situatie?
Wat was mijn taak binnen deze situatie?
Welke concrete acties heb ik in deze situatie ondernomen?
Wat was het resultaat van deze acties?
Fase 2: terugblikken: wat gebeurde er concreet?
Concreet maken
Wat gebeurde er nou eigenlijk? En wat deed dat met jou?
Heel specifiek: wat dacht je, wat voelde je, wat deed je.. (diepgaand)
! Deze fase zijn belangrijk om echt concreet/verdiepend te zijn en niet diplomatiek/oppervlakkig/algemeen te blijven. (dus
letterlijk schrijven wat je dacht)
- Bijvoorbeeld: Ik wou dat ik deze stage nooit gehad had, ik wilde dat ik thuis was, was ik maar in mijn bed, waarom
ben ik nu hier, etc.
Wat zag ik?
Wat deed ik?
Wat dacht ik?
Wat voelde ik?
Fase 3: bewustwording van essentiële aspecten
- Verklaren context/gedrag/interactie/kern van het probleem aan de hand van theorie en modellen. Er moet
minstens 1 interactiemodel gebruikt worden
- Bijv.:
o De roos van Leary
o Dramadriehoek
o Territoriumleer
o Andere interactiemodellen
- Biopsychosociaal model gebruiken voor het klinisch redeneren. Welke factoren liggen eronder? Waar komt dit
gedrag vandaan?
- De interactie komt vanuit beide kanten
Wat vond ik belangrijk?
Wat betekent dat nu voor mij?