Hoorcollege 1 Waarom een overheid?
De groepen mensen die vinden waarom er wel of geen overheid nodig is:
Economen zeggen dat er omstandigheden waaronder er interventie1 in de vrije markt nodig
is.
- Geen monopolies (dat één bedrijf zodanig groot is, dat hij de macht heeft over de
markt) en kartels (prijsafspraken die bedrijven onderling maken). Dit is volgens
economen niet te voorkomen, tenzij de overheid ingrijpt.
o Monopoly: stel dat er een plek is waar nog maar één supermarkt is, dan kan die supermarkt
elke prijs vragen die ze willen, want er is maar één supermarkt op die plek, dus er is weinig
tot geen concurrentie.
o Kartels: het lijkt erop dat de NVM makelaars, de grootste makelaar van NL, elkaar informatie
geeft over de woningmarkt. Er wordt onderling gepraat over welk bedrag er wordt geboden
op huizen. Het kan zo zijn dat een makelaar tegen de andere makelaars zegt: “ik wil dit huis,
want ik vind dat een klant van mij aan de beurt is. Ik ga dit bieden, kunnen jullie daar onder
bieden? Dit is verboden, maar het gebeurt nog steeds op vrij grote schaal.
- Productie van collectieve goederen
o Goederen waarbij je mensen niet van het gebruik kan uitsluiten. Hierdoor kan
je er geen prijs voor vragen.
o Omdat je er geen prijs voor kan vragen, zal er geen marktpartij zijn die zegt
laat ik even dijken en schone lucht produceren.
o Dijken, schone lucht, vuurtoren, veiligheid, etc.
- Reguleren externe effecten2 -> aanbod kant
o Effecten die niet neerslaan in markten, maar wel ingrijpen op de welvaart van
burgers. Voorbeelden van markten zijn: de arbeidsmarkt, de transportmarkt
en de grondmarkt. Voorbeelden van externe effecten van
infrastructuurprojecten zijn 'geluidsoverlast' en 'luchtvervuiling'.
o In het produceren van een goed komt er onvermijdelijk iets vrij.
o Als bedrijven producten maken, dan zitten daar soms negatieve externe effecten aan, zoals
milieuvervuiling of het gebruik van land wat voor natuurwater zou kunnen worden gebruikt.
Het is aan de overheid om de effecten die niet in de prijs opgenomen zitten, te compenseren.
- Beheersing van ‘merit goods’ en ‘demerit goods’ (bemoeigoederen). -> vraag kant
o Merit good: goederen die goed voor mensen zijn. Er wordt een hoge subsidie
opgestopt, zodat mensen er gebruik van gaan maken.
o Hoger onderwijs. Mensen zouden er geen gebruik van maken als er geen subsidies voor
waren. Normaal kost een schooljaar ongeveer 30k per jaar, maar door de subsidies ongeveer
2k.
o Demerit goods: goederen die niet goed voor ons zijn. Deze dingen worden
duurder gemaakt, zodat er minder gebruik van wordt gemaakt.
o Tabak en alcohol wordt duurder gemaakt, zodat er minder gebruik van wordt gemaakt.
- Herverdeling van inkomens.
o Zodat de rijken niet nog rijker worden en de armen nog armer. Dit belemmert
namelijk het economische verkeer.
o Als de armen steeds armer worden, kan er namelijk een opstand ontstaan.
o Tegenargument: dit is nou eenmaal hoe de markt went. Er zijn altijd rijken en
armen.
De groepen mensen die vinden waarom er wel of geen overheid nodig is:
Economen zeggen dat er omstandigheden waaronder er interventie1 in de vrije markt nodig
is.
- Geen monopolies (dat één bedrijf zodanig groot is, dat hij de macht heeft over de
markt) en kartels (prijsafspraken die bedrijven onderling maken). Dit is volgens
economen niet te voorkomen, tenzij de overheid ingrijpt.
o Monopoly: stel dat er een plek is waar nog maar één supermarkt is, dan kan die supermarkt
elke prijs vragen die ze willen, want er is maar één supermarkt op die plek, dus er is weinig
tot geen concurrentie.
o Kartels: het lijkt erop dat de NVM makelaars, de grootste makelaar van NL, elkaar informatie
geeft over de woningmarkt. Er wordt onderling gepraat over welk bedrag er wordt geboden
op huizen. Het kan zo zijn dat een makelaar tegen de andere makelaars zegt: “ik wil dit huis,
want ik vind dat een klant van mij aan de beurt is. Ik ga dit bieden, kunnen jullie daar onder
bieden? Dit is verboden, maar het gebeurt nog steeds op vrij grote schaal.
- Productie van collectieve goederen
o Goederen waarbij je mensen niet van het gebruik kan uitsluiten. Hierdoor kan
je er geen prijs voor vragen.
o Omdat je er geen prijs voor kan vragen, zal er geen marktpartij zijn die zegt
laat ik even dijken en schone lucht produceren.
o Dijken, schone lucht, vuurtoren, veiligheid, etc.
- Reguleren externe effecten2 -> aanbod kant
o Effecten die niet neerslaan in markten, maar wel ingrijpen op de welvaart van
burgers. Voorbeelden van markten zijn: de arbeidsmarkt, de transportmarkt
en de grondmarkt. Voorbeelden van externe effecten van
infrastructuurprojecten zijn 'geluidsoverlast' en 'luchtvervuiling'.
o In het produceren van een goed komt er onvermijdelijk iets vrij.
o Als bedrijven producten maken, dan zitten daar soms negatieve externe effecten aan, zoals
milieuvervuiling of het gebruik van land wat voor natuurwater zou kunnen worden gebruikt.
Het is aan de overheid om de effecten die niet in de prijs opgenomen zitten, te compenseren.
- Beheersing van ‘merit goods’ en ‘demerit goods’ (bemoeigoederen). -> vraag kant
o Merit good: goederen die goed voor mensen zijn. Er wordt een hoge subsidie
opgestopt, zodat mensen er gebruik van gaan maken.
o Hoger onderwijs. Mensen zouden er geen gebruik van maken als er geen subsidies voor
waren. Normaal kost een schooljaar ongeveer 30k per jaar, maar door de subsidies ongeveer
2k.
o Demerit goods: goederen die niet goed voor ons zijn. Deze dingen worden
duurder gemaakt, zodat er minder gebruik van wordt gemaakt.
o Tabak en alcohol wordt duurder gemaakt, zodat er minder gebruik van wordt gemaakt.
- Herverdeling van inkomens.
o Zodat de rijken niet nog rijker worden en de armen nog armer. Dit belemmert
namelijk het economische verkeer.
o Als de armen steeds armer worden, kan er namelijk een opstand ontstaan.
o Tegenargument: dit is nou eenmaal hoe de markt went. Er zijn altijd rijken en
armen.