Taalontwikkeling op school samenvatting
Hoofdstuk 1: Taal ontwikkelende interactie: een nieuw perspectief
Taal is de belangrijkste factor voor succes op school. Hulp wordt gegeven aan kinderen die eigenlijk al
gestruikeld zijn. Het is hulp achteraf. Eigenlijk is er een preventief middel nodig. Kinderen leren taal
niet uit een boekje, maar door taalontwikkelende interactie. Op elk moment van de dag kun je
werken aan taalvaardigheid, ongeacht je klassenorganisatie, je onderwijsvisie of je lesinhoud. Het
TAALGROEIPAKKET kan in handen van een goede (taal-)leerkracht wonderen verrichten. Dit boek zet
in op kennis, vaardigheid en motivatie.
Hoofdstuk 2: weet wat je moet weten
Taal verwerven gebeurt spelenderwijs.
Eerst beheerst het kind een klanksysteem; kennen van alle klanken en klankencombinaties. Ten
tweede heeft het kind een grote hoeveelheid woorden geleerd. Ten derde kan het kind de meeste
basisregels van woord- en zinsvorming al hanteren (juiste zinnen maken, woorden verkleinen). In alle
gezinnen verwerven kinderen taal; ze leren hun moedertaal begrijpen en produceren. Van het begin
af aan gaan taal- en denkontwikkeling hand in hand. De woordenschat van een kind loopt op van
3000 woorden als ze net 4 zijn tot gemiddeld 17.000 woorden als ze de basisschool verlaten.
Kinderen verwerven taal al doende, bij allerlei activiteiten in vele verschillende contexten in
communicatie met anderen.
2.2.2 verklaring van het taalverwervingsproces: drie theorieën
1. Imitatietheorie: kinderen herhalen de taal die ze horen. Meest eenvoudige theorie, maar
gaat maar gedeeltelijk op. Een woord als ‘lipharen’ (snor) wordt daar niet mee verklaard.
2. Creatieveconstructietheorie: kinderen zijn geen napraters, maar zijn actief en creatief met
taal in de weer. In het algemeen verloopt leren het beste wanneer kinderen een actieve rol
spelen in hun leerproces.
Kinderen stellen ‘hypotheses’ op; op basis van de taal die het om zich heen hoort probeert
een kind regelmatigheden de ontdekken en zelf ‘regels’ op te stellen. De kinderen creëren
zelf de regels van het taalsysteem. Ze bouwen hun kennis stap voor stap op. Taal leren is
niet alleen passief luisteren naar het taalaanbod en dat napraten, maar ook een actief
proces. In het onderwijs stimuleert en motiveert de leerkracht, en vertrouwt erop dat
kinderen hun taal op eigen kracht ontwikkelen. Maar is dat voldoende?
3. Interactietheorie: niet echt een theorie, maar een verklaringsmodel dat de interactie als
geheel in ogenschouw neemt; er wordt ook gekeken naar de gesprekspartners van de
kinderen. De theorie leert ons wat we als volwassenen (moeten) doen om het
taalverwervingsproces te stimuleren. We moeten onze taal afstemmen op het taalniveau van
de kinderen: afstemming is het sleutelwoord! Het taalaanbod is geheel afgestemd op het
niveau en de taalleerbehoefte van het kind. Gewone taal is ongestructureerd en rommelig.
Ouders gaan ‘talig’ door de knieën als ze praten tegen een kind. Ook gaan ouders zorgvuldig
in op wat kinderen zeggen: productie-gelegenheid.
Beheydt (2005)
onderstreept het belang
, van het bieden van
taalruimte met drie
punten:
1. Kinderen leren pas door
zelf taal te gebruiken de
taal goed spreken: ‘al
doende leert men.’
2. Kinderen merken dat ze
bepaalde dingen nog niet
kunnen uitdrukken. Dat
leidt tot nocing;
leCen op bepaalde nieuwe
taalelementen.
3. Door acef taalgebruik
zullen kinderen
hypotheses uiCesten en
geconfronteerd worden
met
Hoofdstuk 1: Taal ontwikkelende interactie: een nieuw perspectief
Taal is de belangrijkste factor voor succes op school. Hulp wordt gegeven aan kinderen die eigenlijk al
gestruikeld zijn. Het is hulp achteraf. Eigenlijk is er een preventief middel nodig. Kinderen leren taal
niet uit een boekje, maar door taalontwikkelende interactie. Op elk moment van de dag kun je
werken aan taalvaardigheid, ongeacht je klassenorganisatie, je onderwijsvisie of je lesinhoud. Het
TAALGROEIPAKKET kan in handen van een goede (taal-)leerkracht wonderen verrichten. Dit boek zet
in op kennis, vaardigheid en motivatie.
Hoofdstuk 2: weet wat je moet weten
Taal verwerven gebeurt spelenderwijs.
Eerst beheerst het kind een klanksysteem; kennen van alle klanken en klankencombinaties. Ten
tweede heeft het kind een grote hoeveelheid woorden geleerd. Ten derde kan het kind de meeste
basisregels van woord- en zinsvorming al hanteren (juiste zinnen maken, woorden verkleinen). In alle
gezinnen verwerven kinderen taal; ze leren hun moedertaal begrijpen en produceren. Van het begin
af aan gaan taal- en denkontwikkeling hand in hand. De woordenschat van een kind loopt op van
3000 woorden als ze net 4 zijn tot gemiddeld 17.000 woorden als ze de basisschool verlaten.
Kinderen verwerven taal al doende, bij allerlei activiteiten in vele verschillende contexten in
communicatie met anderen.
2.2.2 verklaring van het taalverwervingsproces: drie theorieën
1. Imitatietheorie: kinderen herhalen de taal die ze horen. Meest eenvoudige theorie, maar
gaat maar gedeeltelijk op. Een woord als ‘lipharen’ (snor) wordt daar niet mee verklaard.
2. Creatieveconstructietheorie: kinderen zijn geen napraters, maar zijn actief en creatief met
taal in de weer. In het algemeen verloopt leren het beste wanneer kinderen een actieve rol
spelen in hun leerproces.
Kinderen stellen ‘hypotheses’ op; op basis van de taal die het om zich heen hoort probeert
een kind regelmatigheden de ontdekken en zelf ‘regels’ op te stellen. De kinderen creëren
zelf de regels van het taalsysteem. Ze bouwen hun kennis stap voor stap op. Taal leren is
niet alleen passief luisteren naar het taalaanbod en dat napraten, maar ook een actief
proces. In het onderwijs stimuleert en motiveert de leerkracht, en vertrouwt erop dat
kinderen hun taal op eigen kracht ontwikkelen. Maar is dat voldoende?
3. Interactietheorie: niet echt een theorie, maar een verklaringsmodel dat de interactie als
geheel in ogenschouw neemt; er wordt ook gekeken naar de gesprekspartners van de
kinderen. De theorie leert ons wat we als volwassenen (moeten) doen om het
taalverwervingsproces te stimuleren. We moeten onze taal afstemmen op het taalniveau van
de kinderen: afstemming is het sleutelwoord! Het taalaanbod is geheel afgestemd op het
niveau en de taalleerbehoefte van het kind. Gewone taal is ongestructureerd en rommelig.
Ouders gaan ‘talig’ door de knieën als ze praten tegen een kind. Ook gaan ouders zorgvuldig
in op wat kinderen zeggen: productie-gelegenheid.
Beheydt (2005)
onderstreept het belang
, van het bieden van
taalruimte met drie
punten:
1. Kinderen leren pas door
zelf taal te gebruiken de
taal goed spreken: ‘al
doende leert men.’
2. Kinderen merken dat ze
bepaalde dingen nog niet
kunnen uitdrukken. Dat
leidt tot nocing;
leCen op bepaalde nieuwe
taalelementen.
3. Door acef taalgebruik
zullen kinderen
hypotheses uiCesten en
geconfronteerd worden
met